Bemmel, Bemmel, Bemmel, Bemmel

Al maanden ben ik zwanger van Bemmel. Vanaf het moment dat bekend werd dat dit jaar hèt kampioenschap daar gereden zou worden: Bemmel. Ergens in het voorjaar. Voor die tijd dacht ik nog een beetje kinderlijk over Bemmel. Ik had ik misschien wel een keer van Bemmel gehoord. Vaag. Ik zou zeggen dat het ergens in Utrecht ligt, of misschien wel op de grens van Noord- en Zuid-Holland. Als iemand met veel vuur verdedigen zou dat het een echte typische plaats in Brabant is: ook goed.img-20160825-wa0006

Bemmel hier, Bemmel daar, Foei hoe suffend staat gij daar
Bemmel blijkt niets van dat alles. Het ligt aan de Waal. En daar ligt het vooral wat te liggen. Er loopt een kronkelige dijk langs. Er passeert een menigte vrachtschepen. Veel nieuwbouw, rond een oud kasteel-achtig huis. Rustige mensen, supermarkten, nog meer supermarkten, een grote snackbar en een enorme parkeerplaats. Vooral die parkeerplaats komt goed van pas: daar kan je goed tacxen.

Bemmel, bammel, bommel, bimmel, bummel
In Bemmel vindt dit jaar het NK-tijdrijden Masters plaats. Dat is niet zomaar een kampioenschap en je bent niet zomaar een Master. Nou ja, misschien toch wel. Bij de heren telt Nederland liefst vier categoriën Masters: 30+, 40+, 50+ en 60+. Daarna ben je gewoon te oud om te fietsen, denk ik. Bij de vrouwen is dat al eerder het geval: die hebben maar één categorie: 30+. Overigens heeft dat de opkomst geen goed gedaan, bij de vrouwen staan maar 8 deelnemers aan het vertrek. Bij de heren meer dan 100.

 

Bem, bem, bem, bem, BEMMEL
Sinds het voorjaar kan ik zomaar met mijn gedachten in Bemmel zijn. Samen met mijn trainster, Esther, heb ik een plannetje gemaakt: die wedstrijd wel, die wedstrijd niet. Langzaam opbouwen, op tijd rust nemen, een paar keer mezelf helemaal naar de kloten rijden en dan nog een keer alles geven. Ik heb het plannetje bijna perfect kunnen uitvoeren. Een drukke werkperiode dreigde even roet in het eten te gooien, maar ik heb doorgezet. Bijna huilend stond ik op een gegeven moment over mijn tijdritstuur gebogen, maar ik dacht alleen maar Bemmel. In een koers moest ik plots lossen, maar voor straf heb ik mezelf daarna helemaal leeg kunnen bemmelen.

Bemmeltje, bammeltje, tovenaar
Ik heb één keer eerder een NK tijdrijden gereden. Dat was het NK voor Vrije Renners op Texel. Alleen renners die niet vast zitten mogen daaraan meedoen, geloof ik. Volgens kenner, renner en wielerorakel Berry mag je Texel niet vergelijken met een echt NK. Op dat nep NK werd ik dus vierde, achter koekebakkers Johan Tijssen en Bert Smilda. Vierde is zuur. Maar stiekem was ik trots.

dsc_4945

(Als een zware oude torenklok klinkt het in mijn hoofd:)
BEMMEL, BEMMEL, BEMMEL, BEMMEL
De afgelopen weken heb ik hier echt naar toe geleefd, samen met PieTTer en RonaldH. Verkennen in Bemmel op zondag, samen trainen woensdag, samen over materiaal keuvelen, samen vloeken in Ronald zijn wiel (dit met Pieter dan). We hebben een Bemmel-app-groep, met Bemmel-grappen en een Bemmel hashtag (#bemmel). Ronald slaapt al weken slecht. Eerst van de pijn van het trainen, toen van de pijn van het niet trainen en nu van de spanning. Pieter heeft iedere trap van de afgelopen weken geanalyseerd en weet precies waar zijn grenzen liggen. En hij heeft nieuwe lagers! En nieuwe banden!

En ik? Ik heb mijn benen geschoren. Mijn fiets gepoetst. En ik zing stilletjes allerlei refreinen waarvan de tekst alleen maar Bemmel is.

Morgenmiddag, 14.23 uur, dan bemmel ik erop los.

img-20160916-wa0012

Onderweg naar Bemmel: het gros van mijn fietsspullen in één Mitsubishi Colt gepropt

Road Trip

– ‘Maut!? Is dat niet Duits voor tol?’

Ik lig op mn rug in een parkeergarage, in volledige wieleroutfit, op mijn borst ligt een modieuze helm, mijn fiets staat nonchalant tegen een auto. Een vrouw, die eerder op weg was naar haar auto, lijkt nu bezorgd naar mij toe te lopen. Ik gluur onder mn zonnebril door en laat de bemoeizuchtige dame nog even in de waan dat er iets ergs aan de hand is. Fuck it, dat is ook gewoon zo. Ik ben namelijk heel erg moe.

IMG-20160814-WA0004

Met mijn lippen vorm ik het woord ‘Maut’ nog een keer en nog maar een keer. Raar woord eigenlijk. Dan klik ik met mijn schoenplaatjes tegen het koude beton van de garagevloer en ik richt me op mijn ellebogen iets op. Ik zeg hardop: Maut. De vrouw schudt haar hoofd en loopt weer weg. Ik leg mijn hoofd weer op het beton. Ik heb er dus niet zoveel zin in vandaag.

Het is zondagochtend. Onze auto staat in een parkeergarage in Dresden, in Zuid-Duitsland. Zaterdag waren we in Tsjechië en vrijdag waren we in Nederland. We zijn met z’n tweeën. Hij heet Arjen en ik ook. Maar omdat onze fietsvrienden dit te ingewikkeld vinden noemen ze hem Astra en mij ook. Samen zijn we de Astra’s. En Astra is bezig zijn fiets klaar te maken en ik zeg nog maar een keertje Maut.

DSC_4840

Eergister, op vrijdag, gingen we vroeg uit Nederland weg. Dwars door Duitsland. Fahren, fahren, fahren en een hele hoop stilstaan bij Baustellen auf der Autobahn. De navigatie vroeg of we over tolwegen wilden ‘fahren’ en het leek ons dat dit een foutje van de navigatie was. Tol betalen? Dat is voor vrachtauto’s, of dat doe je in Frankijk. Direct over de Tsjechische grens blijkt dat daar duizend camera’s staan en wij een tol-vignet hadden moeten hebben. De weg is fantastisch, mooi zwart asfalt, moderne borden. Dit is helemaal geen arm oostblokland, zo blijkt. Dus we zullen wel een boete krijgen, omdat we geen Maut hebben betaald.

We nemen de eerste afslag het platteland op. Of plat, het bergachtige-land. Via kleine weggetjes en mooie klimmetjes gaan we op weg naar ons hotel. We checken in en eten pasta met pizza. Morgen staat de Krušnoton op het programma. Een cyclo op de wegen waarover we gekomen zijn. Wij doen 180 km en 3500 hoogtemeters en dat blijkt zwaar. Ik vlieg er keihard in. Andere Astra spaart zich voor zondag maar rijdt stiekem een fantastische tocht.

_DSC9689

De Krusnoton. Rijdt die cyclo, mensen!

Op de eerste echte berg constateer ik dat de renners om mij heen op elite-licenties rijden, allemaal dezelfde fietsen hebben en zelfs een helmsponsor: ze zijn dus beter dan ik. We stuiven de berg op en na 5 km snoeihard klimmen, ontplof ik. Nu moet ik wel tol betalen en niet een klein beetje ook. Ik zoek een groepje op. Beleef een heftige dag, door een prachtig landschap, met eerlijke renners. Bij de finish ben ik gesloopt, maar er staat een gratis halve liter alcoholvrij bier op me te wachten en krijg ik twee schalen spaghetti.

Andere Astra rijdt verstandiger, zoekt zijn eigen tempo en komt vrolijk lachend over de finish. We kijken elkaar aan en weten: hier in Tsjechië hebben we een van de mooiste cyclo’s van Europa ontdekt. Onder het stof, restjes energiedrank, zoute zweetkorsten, maar vrolijk en verkwikt door de pasta vervolgen we onze road trip. Via de kleine weggetjes – we vermijden de tol – gaan we op weg naar Dresden. Daar komen we in de avond aan. Mijn benen doen zeer en worden steeds pijnlijker. In de auto hebben we tol omzeild, maar ik blijf het maar betalen.

Op zondag staat een criterium van ruim 100 km op het programma. Jeej! Mijn pijnlijke lijf heeft er niet veel zin in. Bij het ontbijt probeer ik zoveel mogelijk broodjes naar binnen te stouwen, ik gooi er wat koekjes in, gevolgd door een appel en een ei. Vermoeid kijk ik naar Astra die glimt en lacht. Racen door een stad is echt helemaal zijn ding. Ik heb inmiddels nergens meer zin in. Het is warm. En ik ben zenuwachtig. We kleden ons om, vullen bidonnen en gaan onze fietsen uit de auto halen, in de enorme parkeergarage onder ons hotel. Daar klooit Astra verwachtingsvol met zijn fiets. En ik zoek verkoeling en afleiding op de grond: Hee, Maut!

DSC_4889

De criterium-wereldkampioen

Bij de start zien we dat de echte criterium-wereldkampioen aan de start staat, samen met een paar honderd andere zenuwachtige en afgetrainde Duitsers. We gaan keihard racen, scherp sturen, optrekken en valpartijen ontwijken in de historische binnenstad van Dresden. Na het startschot is alle chagrijn vergeten. We vliegen er volle bak in en rijden een goede race. ‘s Avonds lopen we nog een rondje door de prachtige stad, het is ongelooflijk dat we hier een criterium hebben gereden. Op maandagochtend rijden we terug naar Nederland. We weten: deze road trip was niet Maut, dit was ontzettend TOLL!

DSC_4911

Dresden, top stad, toll criterium

Octave-Lapize-Tourmalet-1910-Tour-de-France

Vous êtes des assassins

Op 21 juli 1910 werd de eerste echte Pyrenëeen-etappe in de Tour gereden. En dat is door de organisatie direct goed aangepakt: start aan de voet van de Peyresourde, daarna de Aspin, vervolgens de Tourmalet en dan de Aubisque. Hierop volgde nog een kleine 150 kilometer over heuvelachtig terrein naar de finish. 326 km, 4 cols, grotendeels onverharde wegen, fietsen van 15 kilo met 1 versnelling.
Bij het verkennen van de route – natuurlijk in de auto – kwam een van de organisatoren bijna om het leven, omdat hij vast raakte in de sneeuw. Maar de weg was meer dan goed genoeg om over te rijden. Het feest kon dus beginnen in de ochtend van die 21e juli. Om een beetje voor donker thuis te zijn, begon de etappe om half vier ‘s nachts. Wielerlegende Oscar Lapize kwam als tweede op de laatste col boven en schreeuwde daar naar de organisatoren: ‘Vous êtes des assassins. Oui des assassins!’ (U bent moordenaars. Ja moordernaars!) Uiteindelijk won hij de etappe in een sprint.
Octave-Lapize-Tourmalet-1910-Tour-de-France

Not a happy bunny. Oscar Lapize op de Tourmalet in 1910 (spot de assassin, trouwens!)

Het was de eerste keer dat de Tourmalet in de Tour werd beklommen. Anno 2016 is het de berg die het vaakst in het Tour-programma is opgenomen: meer dan 85(!) keer. Ter vergelijking de Alpe d’Huez deed 30 keer mee (en dan tel ik echt alles), de Ventoux 16 keer. De etappe van 1910 spreekt tot de verbeelding. Engels hipster merk Rapha heeft er zelfs een filmpje en een website over gemaakt (vol historische fouten, maar goed, het is leuk dat de hipsters het tenminste proberen). In 2010 en dit jaar bracht de Tour een ode, door een deel van het parcours omgekeerd te fietsen. Vorig jaar was er iemand die de hele etappe op fixie reed (ook een hipster, gesponsord door Red Bull). 1910, dat is wielergeschiedenis om je vingers bij af te likken.
1964-branding

Van de Rapha pagina. Op de achtergrond het profiel van de etappe (profielen werden nog niet gemaakt in 1910, maar het geeft toch een leuk beeld).

Door een gelukkig toeval (mijn fantastische vriendin) breng ik mijn vakantie door in een dorpje niet ver van de plek waar de legendarische 1910 etappe begon. Nog gelukkiger: mijn vriendin wil winkelen en dan is ze mij liever kwijt dan rijk. Ik ben namelijk super-irritant in een winkel. Dit is de deal: ik ga op de fiets, zij gaat met de auto, we ontmoeten elkaar in Tarbes en gaan samen terug naar ons vakantiehuisje.
Op 26 juli 2016 kan ik een tribute-tocht maken. Een eerbetoon aan de mannen die de oorspronkelijke monstertocht in 1910 reden. Voor mij staan de Peyresourde, de Aspin en de Tourmalet op het programma. Helaas (maar niet heus) moet ik de Aubisque links laten liggen, tenzij ik ook om half vier ‘s nachts start. Dat doe ik dus niet: half acht vertrek. Door het uitfietsen naar Tarbes heeft mijn tocht een wel heel vergelijkbaar profiel met dat van de oorspronkelijke etappe. Verder heb ik een aero carbon fiets van ongeveer 7 kilo, 11-speed, HED-wielen, banden met black-chilli-compound (whatever, ze gaan bijna nooit lek), fantastisch asfalt, een Garmin die de route geeft en twintig euro om onderweg eten te kopen.
1910Tribute

Het profiel van mijn tocht

Het eerste stuk fiets ik langs een snelweg, waar witte bestelauto’s (die waar Frankrijk vol mee zit) me links en rechts voorbij scheuren. Vervolgens fiets ik rustig de Peyresourde op, hoewel ik af en toe moet uitwijken voor een naar beneden denderende vrachtwagen. De Aspin is een makkie, want ik fiets achterin een cyclo en kan een voor een renners gaan oppikken. Onderaan de Tourmalet koop ik een cola en een croissant en lijkt alles perfect. Halverwege de Tourmalet ben ik er toch wel helemaal klaar mee, op driekwart zit ik zachtjes te vloeken, tegen de top zit er plots een 60+ renner in mijn wiel, die ik er niet echt af krijg en in de laatste meters sprint een ietwat dikkige man met een enorme zadeltas en MTB-helm me er af. WTF!
DSC_4498

Not a happy bunny. Ik op de Tourmalet in 2016 (geen assassin te bekennen, trouwens)

Na de afdaling blijkt dat de laatste 40 kilometer een serieuze wind recht in mijn bakkes waait. Ik vind mezelf inmiddels zielig. Ik vraag me af of mijn factor 50 zonnebrand nog wel werkt. Mijn bidon is leeg! En ik hoor een piepje in mijn ketting. Als ik omkijk zitten er drie Fransen breed lachend in mijn wiel. Dan weet ik weer: dit is een tribute! Ik ga op de pedalen staan tot er niemand meer in mijn wiel zit. Daarna koop ik een flesje water in Lourdes (je weet maar nooit) en peddel ik rustig uit naar Tarbes.
Jemig, wat een gave tocht was dit zeg. Ik kom een keer terug om de volledige 326 km te doen.

Rondje IJsselmeer

IMG-20160709-WA0013

Van links naar rechts: Johnny, Andere Astra, de Stuntman, Bokham, Lou, Ene Astra, Billy Bronco, dr. Wolf

De zon komt op boven de skyline van Amsterdam.

Hij trapt met een hoge frequentie. 45 kilometer zitten erop, nog maar 275 te gaan, dat maakt 320 in het totaal. Het blijft een beetje ontmoedigend. Pas als er 300 op zijn Garmin staat zal hij niet meer chagrijnig worden van de afstand die nog komt.
‘Hey, Astra!’, schreeuwt Lou.
– Ja?
– Links of rechts?
– Doe maar rechts.

‘Nee LINKS!’, aldus Billy Bronco. Voor Billy is het een dag als zovele. Vanochtend, toen zijn wekker ging wist hij dat hij na vandaag dit jaar in 4 ritjes al meer dan 1300 zou hebben afgelegd. Dat is natuurlijk naast de 10.000 kilometer die hij sowieso fietst. Billy lacht een beetje en bewaakt de route. Hij kijkt verbaasd naar de lage trapfrequentie van Lou.

– Fietst Lou altijd zo zwaar?
Naast Billy heeft de Bokham zijn handjes op het stuur. Hij kijkt naar het achterwerk van Lou. Naar dikke aderen, over bruine gespierde kuiten.
‘Lou doet vandaag krachttraining’, antwoordt Bokham. Hij vloekt binnensmonds. Want Jonny komt weer op kop en dat is eigenlijk voor niemand leuk, behalve voor Johnny. Bokham duikt in de beugels en schakelt bij.

‘Dus jij woont hier, in Amsterdam?’, vraagt Johnny met een mooi lokaal accent aan dr. Wolf. Die wil wel antwoorden, maar het lijkt hem beter om daar even mee te wachten. Zijn vierkante schouders schokken soepeltjes, als die van Kruijswijk. Dr. Wolf woont aan de andere kant van het water. Met Brabantse gemoedelijkheid ziet hij het wiel van Johnny voor het zijne schuiven. Hij geeft gas bij, geen probleem.

Achter Johnny zit Andere Astra te twijfelen. Hij vraagt zich af of hij door zal gaan, het rondje IJsselmeer af zal maken. Zijn knie steekt een beetje, zijn normale racefiets is gejat, zijn moraal heeft een deuk gehad. Ze zijn gestart bij hem thuis in Lelystad en bij Enkhuizen kan hij daarheen afsteken. Pasta koken voor de rest. Hij hoort een harde gillende piep.
– Jo!

‘Nieuwe wielen’, zegt de Stuntman, ‘carbon velgen, die piepen soms’, weet hij. Ik had ook mooie wielen, denkt Andere Astra weemoedig, terwijl de Stuntman tevreden lacht. Lou ziet een gaatje, sprint naar voren en gaat op kop sleuren. Alsof ze niet nog 174 km moeten, maar nog 2. De Ene Astra gaat naast hem rijden.
– ‘Hier naar links, toch Billy?’
– ‘Nee, rechtdoor!’

46 kilometer op de teller. Het schiet al lekker op met dit rondje IJsselmeer, nog maar 274 te gaan.

IMG-20160709-WA0011

Onderweg

Droogtrommel

‘Nog 30 seconden’, roept de starter. Ik wil mijn Garmin aanzetten, maar zie dat die op standby is gegaan. Shit. Ik start hem opnieuw op. ‘Nog 15 seconden.’ Met zes man staan we klaar voor een ploegentijdrit. We hebben samen getraind, een Appgroep gemaakt, samen warm gereden en nu gaan we samen pijn lijden. ‘5, 4, 3, 2, 1 en go!’ Mijn Garmin is eindelijk aan. We zijn los.

IMG-20160702-WA0036

Een ploegentijdrit is een beetje als een droogtrommel. Als je je daar niks bij kan voorstellen denk dan aan een cavia in zo’n looprad. Of aan zo’n grote buis in de speeltuin, waar je in kan staan en kan rennen. Als het leven een tekenfilm was, dan zou ik me hier met gestrekte armen en benen in laten ronddraaien. Maar het leven is dus geen tekenfilm.

In het echt moet je keihard rennen in je trommel, steeds harder en harder. Helemaal als je er met 6 man in zit. Als je dat niet doet, ga je grandioos op je bek. Zo ook in de ploegentijdrit. We hebben 30 kilometer voor de boeg, over de dijk van Lelystad naar Enkhuizen. Er staat een mannelijk zuidwesten windje, 6 bft. We hebben hem een klein stukje in de rug. Daar gaat onze fietsende trommel 64 km/u. Maar na de fun, komt het afzien. De 6 bft beukt eerst van opzij en daarna schuin tegen.

Aero frames, hoge voorwielen en dichte achterwielen maken dat we maximaal voordeel hebben van de zijwind. Maar het geeft ook problemen met sturen. In onze tijdrithelmen raast de wind. En maximaal voordeel betekent ook maximaal afzien. Iets voor de helft springt de eerste deelnemer uit de trommel. Iets na de helft de tweede. Ze hebben de snelheid hoog gehouden, maar het draaien van de trommel gaat te hard. Ik denk dat ik iemand hoor vloeken.

IMG-20160703-WA0001

De trommel is nu leger, juist op een moment dat we nog iets meer tegen de wind in draaien. Iedereen weet dat een droogtrommel het beste werkt als ie vol zit. We moeten met vier man finishen, dus we moeten bij elkaar blijven. Dat gaat, het draait, het draait!! We halen een andere trommel in. Die zijn wel met zes, maar draaien duidelijk niet. Het is een waaier waar de wind te veel vat op heeft gekregen. Een trommel met kapotte lagers.

Het wordt steeds warmer. Dit is het echte droogtrommel-gevoel. De hitte straalt uit onze benen. Voor Enkhuizen duiken we onder een aquaduct door, met 50 km/u naar beneden en met 30 km/u weer ophoog. Op deze venijnige klim staan onze benen in de fik. Er volgt een bochtig parcours dwars door het Zuiderzee stadje. Achter dranghekken staan tientallen toeschouwers te klappen. Het geeft een machtig geluid, alsof mensen op onze trommel slaan. We moeten geconcentreerd blijven, ook hier moet de trommel blijven draaien. En dat lukt!

Na de finish zijn we ontzettend uitgelaten. We schreeuwen en lachen. High fives. Maar ook bloeddoorlopen ogen. Onze ploegmaats komen aan, ze lachen al snel met ons mee. We hebben maximaal gefietst, eruit gehaald wat er in zat. We hebben het ritje in de trommel overleefd. En dat blijkt goed voor bloemen, een beker en een foto met de rondemiss.

DSC_4287

Jelle-Wytze, Sytze, Anko, Remco, Harm, ik en de Rondemiss

Hartslag

DSC_4175

Bij de start van een cyclo – met al best een hoge hartslag

Veel wielrenners zijn geobsedeerd door hun hartslag. Het is de graadmeter van een rennerslijf. En omdat het ingewikkeld is, kan je er flink wat tijd aan besteden om er goed grip op te krijgen.

Het is niet de ultieme graadmeter. Dat is eerder het vermogen dat je kan leveren, maar daarover in toekomst meer. Je hartslag is de meest goedkope manier om iets over vorm, uithoudingsvermogen, training en het indelen van inspanningen te zeggen. En je hartslag – in tegenstelling tot een dure vermogensmeter – zit op al je fietsen! Tenzij er iemand anders op jouw fiets zit, maar dat lijkt me niet de bedoeling.

De basics
Mijn maximale hartslag is 186. Het is zaak die zo weinig mogelijk aan te tikken. 170 is mijn omslagpunt. Dat is de hartslag die ik een uur kan volhouden, maar dat doet wel heel erg pijn. Alles boven de 170 is ‘rood’, boven de 180 is zwart. Alles onder de 120 is ‘D1’ en volgens sommigen telt dat niet.

DSC_4164.JPG

De reis – Japie rijdt

De Vogezen
Ik rijd vandaag met een groep vrienden Les Trois Ballons. Vrijdag heen (met de onvolprezen Japie achter het stuur van een heel grote Volvo). Zaterdag raceday. En direct na afloop naar huis. De Trois Ballons gaat (gek genoeg) over twee Ballons in de Vogezen. En daarnaast over ontzettend veel andere bergen variërend van klotig stijl (en ik bedoel echt stijl), tot lekker doorstampen. De ‘3B’ is 215 km lang.

Het plan
Ik wil goed rijden, in 7 uur finishen ofzo. Of 30 gemiddeld rijden. Of misschien wel top 50. Maar de Fransen hebben aan het begin en aan het einde zo’n klotig stijle berg gelegd. Als je te hard begint, moet je dit uiteindelijk bekopen. Al je plannen kunnen de vuilnisbak in, als je te vroeg in ‘rood’ belandt. Maar ik heb Een Plan: mijn hartslag mag niet boven de 160 komen. Voor de zekerheid wordt 159 het ideaal. Daar mag ik NIET boven komen!! Dan heet dus indelen.

DSC_4155.JPG

Jos (en Jaap en Lou) na de ‘Nibali’

De reis, het gezelschap en de rest
Onze groep bestaat uit Jos, Wim, Japie, Lou en ik. We zitten in een B&B met een enorme slaapzaal. Daar rijden we op vrijdag heen, inderdaad met Japie achter het stuur. Zijn doel: de 105km versie (de Proefballon) lekker uitfietsen (doel gehaald!). Jos is bijrijder en aanjager. Zijn doel uitfietsen. Jos doet eerst een Nibali (derailleur in zn spaken) en dan een Horvat (gebroken spaak – lang verhaal). Hij fietst wel lekker, maar dus niet zo lang. Wim wil binnen 10 uur finishen (doel ook gehaald). En Lou, alias de Kopman wil lekker trainen (idem dito).

DSC_4167

Niels heeft er zin in (en wordt 68e!)

De race
Ik mag in het voorste startvak. Ben opgefokt en heb er ook zin in. Daar tref is Niels, met wie ik het grootste deel van de dag opfiets. Zodra Niels een berg ziet, trapt hij door de boter. Het gaat regenen en dat is goed, want ik houd van regen. Daarnaast heb ik in de regen en koude een wat lagere hartslag dan normaal. Dan verschuiven mn zones, maar ik doe net alsof dat niet zo is. Zo heb ik zomaar een paar slagen gewonnen.
Eindelijk, 5 minuten te laat (het is natuurlijk Frankrijk) mogen we weg. Ik zit goed in het peloton. De vlakke aanloop vliegt voorbij. Het is nerveus, ik let goed op de renners en de weg. Het eerste pukkeltje racen we over, alsof het geen klim is. Dan begint de echte klotige klim. Ik kan eindelijk een eerste blik op mn hartslagmeter werpen.

Kut. 172.

De eindstand
Met een tijd van 7 uur en 18 minuten, word ik 82e en rijd ik 29.9 gemiddeld. Tot zover Mijn Plan en Mijn Doelen. Maar toch: zonder dat ik de rest van de dag nog een tweede blik op mn hartslagmeter heb geworpen vind ik dat ik best wel goed gereden heb.

District Kampioen – what it takes

Pats. Van onderen komt een spetter op mijn vizier, aan de binnenkant van mijn tijdrithelm. Dat is gek, heel gek eigenlijk. Het is een beetje alsof de spetter de wetten van de zwaartekracht trotseert. Pats. Nog één. Maar deze komt wel van boven vallen. Langzaam zakken ze naar beneden. Het is bijna alsof ik uit een trein- of autoraam staar terwijl het regent. Ik wil met mijn vinger het spoor van de druppels volgen. Zoals ik dat als een klein jongetje ontelbaar vaak gedaan heb.

Maar dat gaat natuurlijk niet. Mijn handen zitten stijf om de beugels van mijn stuur geklemd. De knokkels zijn wit weggetrokken. En in plaats van sentimentele jeugdherinneringen ophalen moet ik ontzettend goed opletten. Ik race met 45 km/u door Friese weilanden. Naast me geven wat bosjes een beetje beschutting. De wind beukt van opzij en ik weet dat als ik de beschutting voorbij ben, de wind de aanval op mijn stuur zal openen. Ik verplaats mijn gewicht nog wat naar voren.

Beng. Toch slaat mijn stuur bijna uit mijn handen. Ternauwernood houd ik mijn fiets overeind. Ik moet wat omhoog komen, uit de beugels, het stuur echt vasthouden. Dit kost tijd en kracht. Ik ga weer op de beugels liggen. De wind heeft het nog niet opgegeven en weer gaat het bijna mis. Ik doe mijn ogen even dicht en stamp op de pedalen.

Er staat een bordje in de berm. Ik probeer er niet op te letten, maar mijn concentratie vast te houden. Stampen. Zo hard ik kan. Toch kijk ik even. Wat stond er op dat bordje? Iets met een drempel!? Voor me doemt een verkeersdrempel op. Ik ga weer uit de beugels en draai iets langzamer mijn benen rond. Dan zie ik dat het geen echte drempel is, maar eerder een verzameling kasseien. Oh ja! Ik herinner het me van de verkenning.

Maar het is te laat. Met 45 km/u stuiter ik over de ‘verkeersdrempel’, midden in de weilanden. Dit zal al het verkeer dat hier langs komt flink vertragen, denk ik. Ik schat dat het om twee trekkers en een auto per week gaat. Gelukkig gaat het weer net goed. Ik verlies wat snelheid en het doet wat extra pijn. Daar ben ik op voorbereid.

FUCK! Ik knijp hard in de remmen. Aan het einde van een recht stuk moeten we 180 graden draaien, om een pilonnetje. Ik doe dat ontzettend slecht. Alle snelheid is weg. Met 5 km/u ga ik door de bocht. Maar toch, daarna vlieg ik verder. Ik heb kracht in mijn benen en een prachtige cadans op mijn pedalen. Ik zie Ronald, clubgenoot en concurrent, recht op me af komen. Hij ramt en stampt, zoals Ronald dat doet. Ben, andere clubgenoot en concurrent komt er vlak achteraan. Hij haalt een deelnemer in. Ergens komt Berry langs, die vandaag fantastisch op zijn fiets lijkt te zitten. Dan maakt het parcours een scherpe bocht naar rechts. Het laatste stuk.

Pats. Weer een druppel van onderen. WTF. Het maakt niet meer uit. Niks maakt nu nog uit. Mijn hartslag gaat verder omhoog. Richting maximaal. Nog 1 kilometer. Alle beelden komen heel scherp binnen. Er hangt spuug aan mijn kin, er loop snot over mijn gezicht en komt nog meer zweet op mijn vizier. Geluiden zijn allemaal extra scherp. Ik hoor mensen, de speaker en ik zie de finish. En dan niks meer. Alles is verdoofd. Ik mag mijn benen stil houden.

Ik kom tot stilstand. Veeg met mijn arm mijn gezicht schoon. Bijna val ik om, maar nu omdat ik niet kan blijven staan. Alles doet zeer. Langzaam komen de geluiden terug. Er staan mensen me vol medelijden aan te staren. Ik kan weer normaal ademhalen. Dit was wat er in zat vandaag. Tevreden fiets ik langzaam naar mijn auto. Leuk hoor, tijdrijden.

IMG-20160601-WA0011

UhWLaHv

Het podium – clean sweep CSG!

Klaarmaken voor het DK tijdrijden

– “Dat deed pijn, hè? Ik zag het aan je gezicht.”
Het klopt, maar ik denk dat het beter is om niet te reageren op de vraag van de mevrouw. Dus ik probeer mijn gezicht zoveel mogelijk in een plooi te houden.

– “Leuk dat Johan donderdag ook mee gaat!”
Als ze zonet pijn kon aflezen, dan zou ze nu totale verbijstering moeten kunnen zien. Who the fuck is Johan, vraag ik me koortsachtig af. En donderdag? Wat is er in godsnaam op donderdag? Het gaat om woensdag, mevrouw!

Dan hoor ik een andere vrouwenstem achter me.
– “Ja, hij kon wat regelen voor de kinderen.”
Ah, de assistente! Ze had het niet tegen mij. Kans is groot dat ze de assistente aankeek, maar ook dat kan ik niet weten, ik heb mijn ogen dicht.

Ik hoor het zachte, hoge zoemen van de boor en maak me klaar voor de volgende sessie.

– “De vorige keer, toen deed het echt pijn, hè.”
Eh, ja, ook dat klopt, maar ik heb eigenlijk nog steeds geen manier om in te stemmen met wat ze zegt. Praten gaat gewoon niet en knikken lijkt me niet zo slim. Trouwens, niet alleen de vorige keer. Nu is het ook af en toe ook bijzonder vervelend.

Om mezelf wat af te leiden zet ik de nagels van mijn ene hand, in de vingers van mijn andere. Constante pijn, dat is goed. Ik drijf ze er dieper in en tegelijk zone ik out. Ik denk maar weer aan woensdag. Wat geklooi aan je gebit, wat watjes onder je tong, een slurpende afzuiger in je mondhoek, dat valt allemaal best mee. Helemaal als je die nagels maar goed diep in je huid zet.

Volgende week woensdag, mevrouw, dan doet het pas pijn. Dan rijd ik het District Kampioenschap Tijdrijden Noord. Ik denk dat ik dan 18.6 kilometer lang mezelf helemaal op een hoop ga rijden. Dan heb ik niet iemand met een apparaat om dat te doen, maar moet ik helemaal zelf aan de bak. Daar komt dat lullige boormachientje van u niet aan te pas.

Als ik me er goed op concentreer niet.

– “Wil je misschien je tong van de afzuiger halen? Die blokkeert zo.”
Oh sorry, ik was er even niet bij. Ik dacht aan een scherpe bocht. Ik hoopte op een harde wind. En ik keek uit naar het echte afzien. Kut!!!

– “Ha, dat deed weer even zeer hè!? Toch stoer hoor dat je geen verdoving wil.”

Dat is omdat ik moet wennen aan pijn, mevrouw de tandarts.

DSC_4039

DK

IMG-20160516-WA0006

Foto: Bettina Zijlstra.

Pinkstermaandag staat voor mij al jaren in het teken van de Elfstedentocht. Vorig jaar voor de tiende keer meegedaan, ik heb dus al zeker zo’n 2250 km langs die elf steden afgelegd. De laatste keer met een gemiddelde van bijna 35km per uur, wat wel een beetje aangeeft dat ik die toertocht-der-toertochten wel ontgroeid ben. Daarnaast: ik hoop eigenlijk dat ik mijn elfde Elfstedentocht niet op de fiets hoef te doen.

Pinkstermaandag werd dit jaar dus mijn eerste DK. Wat een feest! Waaiers. Kou. Zon. Nog meer waaiers.

Voor de start, ongeveer 14 graden, bibberend naast Anko mijn beenstukken uitgedaan. Mezelf wel 100 keer vervloekt. Anko heeft geen moraal. Aan de andere kant staat Robbie. Hij glundert. Maar hij zegt ook: eigenlijk vind ik er geen reet aan. Achter me hoor ik Bramski. En Bramski heeft altijd een verhaal, ‘jonge!’ Ergens staat Berry. De lacht wat stiekem. En we weten dat hij dolgraag wil winnen. Tsjerk lacht. Die gast ziet er zo onvoorstelbaar sterk uit. En Louis. Aaah. Louis. Je weet het niet met Louis.
Allemaal gladde en geoliede benen. Heel strakke shirtjes. En ik vraag me af wat de fuck ik hier doe. Ik had nu in Hindeloopen een blikje cola kunnen drinken. Of waarschijnlijker, in de auto naar huis kunnen zitten met mijn elfde volle stempelkaart, luisteren naar het verslag van het DK bij de elite (wordt altijd uitgezonden bij Omrop Fryslân!).

De bel. We zijn weg. Ik klik slecht in. En het gaat snoeihard op de kant. Maar ik vecht me naar voren. En na de tweede bocht zit ik achteraan de eerste groep en zie al mijn ploegmaats voor me. Machtig mooi gezicht. Iedere ronde gaat het twee keer op de kant. Soms zit ik vooraan. Ik weet zelfs een paar keer te ontsnappen met een of twee man. Ik ga twee keer als eerste door start/finish. Maar ik kom ook twee keer in de tweede waaier. En moet wel honderd keer een gat dicht rijden. Ik weet zeker dat ik bij de betere renners hoor. Maar ik ben ook geïmponeerd door het geweld om me heen.

DK

Foto: Jerry Meurs

De laatste ronde, Berend en ik zitten in de tweede waaier. En ik zal er voor zorgen dat we terug komen. gvd. Ik rijd een gat dicht. En 2 meter verder draaien we de bocht om en breekt het voor me. Ik rijd weer een gat dicht. En direct breekt het weer voor me. Ik schreeuw naar Berend. Hij knalt erover, onder allerlei excuses. Ik ram door en sluit toch aan. Het valt even stil. Kievit gaat. Wordt terug gepakt. Twee man gaan en niemand reageert. Ik zet alles op alles.

Maar alles was niet zoveel meer. De groep knalt al snel over me heen en ik bol wat uit naar de finish. Ik denk dat ik volgend jaar die elfstedentocht nog maar een keertje oversla.

IMG-20160516-WA0008

Finish. Argh.

DSC_3943

Bang

Langzaam eet ik een boterham met pindakaas. Ik heb best honger, maar omdat ik echt bang ben krijg ik die maar moeilijk weg. Ik kauw en kauw en kauw. Waarom ben ik hier? Dat is geen existentiële vraag. Het is een een verwijtende, beschuldigende vinger naar mezelf. Anderhalf uur geleden stond ik voor huis, in de zon en was ik perfect gelukkig. Nu ben ik alleen maar bezig met de hel die eraan zit te komen. Niemand heeft me gedwongen, maar ik heb zelf plotseling besloten dat dit een goed plan was.

Scream

Ik zit achterin een echte gezinsauto. Omgeven door speelgoed en in dit geval ook door restjes rozijnen, kruimels en allerlei spul dat ik niet goed kan definiëren. Naast me liggen een fiets en wat wielen, overal slingeren helmen rond. Voor me zitten Berry en Tim. Berry is de eigenaar van de auto: bikkel, renner en vader van Alle. Alle is de eigenaar van het grootste deel van het speelgoed en van de rozijnen. Ik concludeer dat ik op Alle zijn plek zit. Berry legt uit dat je tijdens een criterium niet te veel moet nadenken.

Ok. Ik zeg niks en prent mezelf in dat ik niet moet nadenken. Dat wordt makkelijk, want ik ben zo bang dat ik helemaal niet kan nadenken. Tim heeft er zin in. Het maakt niet uit wat voor koers, Tim heeft er altijd zin in. Dat komt omdat Tim keihard kan sprinten. Dat komt weer omdat Tim eigenlijk een roeier is. En roeiers, zo blijkt uit het voorbeeld ‘Tim’, bestaan vooral uit spieren. Ook al hoorde hij tot voor kort thuis in een boot die alleen maar rechtuit gaat, toch kan Tim beter een fiets besturen dan ik. En dat is nou net een vaardigheid die handig is tijdens een criterium.

DSC_3918

We zijn onderweg naar Hardenberg. Daar ligt, in een echte nieuwbouwwijk, een rondje van 1.3 km met zes bochten. Het is begin mei, maar volop zomer. In de hele wijk staan de barbecues in de tuin. Er zijn handige oplossingen bedacht om bier koud te houden: bakken water met ijs, kleine koelkasten, kinderbadjes. Daarnaast staan tuinstoelen met dikke mannen, die het ene flesje met het andere open doppen. Huisvrouwen voeren lange gesprekken. En kijken verrukt naar wat zich op hun stoep afspeelt. Een kleine 100 afgetrainde renners gaan daar namelijk hun leven wagen in een criterium.

Mijn chip moet nog aan mijn fiets en ik heb geen tyraps bij me. Er gloort hoop, want zonder chip aan je voorvork geen start. En niemand lijkt een paar van die dingen bij zich te hebben. Ik ben al bij vier mensen geweest! De organisatie dan maar. Ook niet! Misschien mag ik wel toekijken, in plaats van meedoen! Dan krijg ik er toch twee. Balen. Rugnummers opspelden en infietsen. Ik raak Tim kwijt. Where the fuck is Tim!? Er schiet iemand onder me door in een bocht. Ik wen vast aan dat gevoel. Langzaam word ik kalm. Ik kan nu niet meer terug. Vandaag ga ik mijn allereerste amateur criterium rijden.

Er plakt iets aan mijn helm, zie ik uit een ooghoek. Ah, een rozijn. Die peuzel ik maar op. Er is een heel vervelende omroeper die aankondigt dat de start aanstaande is. Bij het opstellen kom ik naast het hek te staan. Aan de andere kant daarvan staat de irritantste huismoeder van heel Hardenberg. Ze slaat allerlei semi-criteriumkennis uit. Ik vermoed dat ze bijklust als jurylid voor de KNWU. Dat is een bepaald type. Dan klinkt het fluitje, het laatste restje angst vervliegt. Ik ga zo hard ik kan op de bocht af.

DSC_3945 (1)

10 kilometer houd ik het vol. Iedere bocht verlies ik veel snelheid en 4 meter op mijn voorganger. Dat gaatje maak ik makkelijk goed, maar iedere keer wat minder makkelijk. Na 36 bochten kan ik niet meer. Ik hoest slijm op, met bloedsmaak. Daar doorheen proef ik de pindakaas weer. En ik spuug een rozijn uit. Helemaal kapot draai ik van het parcours. Ik hoor de omroeper ‘Uit koers, nummer 97, uit Haren, Arjen Dijkstra.’ Great.

Tim krijgt een klapband in een bocht. Hoe goed je ook kan sturen, dan is het lastig je fiets overeind te houden. Berry bivakkeert de hele koers rond de 40ste plek, maar aan het einde (als het er toe doet) sprint hij toch naar de 12 plek. Genoeg voor een prijs! Berry redt de meubelen. Als team winnen we zo 10 euro om uit te geven bij de McDonalds. Ik neem een ‘plain’ McFlurri, zonder extra chocola of caramel. Ik weet nog wel wat rozijnen die ik erin kan doen. Tussen de lepeltjes ijs door vraag ik: ‘Berry, wanneer is er weer een criterium?’

Berry

Duo Diagonaal

Het concept was simpel: je zet je auto ergens neer, gaat met de trein ergens anders heen en fietst vervolgens terug. Goed plan?

Deze keer doen we het met een groep van meer dan veertig renners en rensters. De auto’s staan in Oostende, de trein brengt ons naar Virton. We fietsen in duo’s en we doen wie het eerste er is, onderweg moeten we verplicht drie punten aandoen: een Millenium Toren (whatever, staat op het hoogste punt van een hele provincie), een Belfort (ook een toren) en het Centrum van de Ronde van Vlaanderen (Oudenaarde, voor cultuurbarbaren). Verder mag (moet) je de route zelf bepalen. Oh ja, de start is om 16.00 uur, ‘s middags dus.

Voor wie zijn Europese geografie niet helemaal op orde heeft: Virton en Oostende markeren twee heel ver uit elkaar gelegen punten van België. De kortste route is ongeveer 315 kilometer en dat ziet er zo uit op Strava. Mijn partner is de onvolprezen Billy Bronco. Naast dat hij één van de stoerste bijnamen van het hele Nederlandse peloton heeft, is hij ook een erg sterke coureur, een fabelachtige routeplanner en lust hij bijna alles. Allemaal belangrijke voorwaarden als je aan dit soort idioterie begint.

DSC_3803.JPG

Soigné scoort bij de meeste deelnemers niet heel hoog

Om 17.00 uur is de start. Dat gaat ongeveer zoals het hele plan klinkt: niet erg overgeorganiseerd. Ik sta toevallig in de buurt van Gunther, de ‘koersdirecteur’, die zichzelf voorstelt als ‘boswachter’. Als hij de lokale kerkklok hoort slaan zegt ie: ‘Euh, ja, dan zijn we nu begonnen. Go!’. Na maanden van serieuze voorbereiding schiet mijn hartslag direct boven omslagpunt. Ik neem Bronco op sleeptouw en we zijn binnen 10 minuten tête de la course. Ik voel me super.  We zullen tot de finish geen deelnemers meer tegen komen.

DSC_3820

Het plan is idioot genoeg om niet hard uit de startblokken te schieten. De 315 kilometer gaan gepaard met wind-tegen. Er is regen voorspeld. Het wordt koud. En er staan een kleine 4000 hoogtemeters op het menu. Maar bij het ‘Euh’ van Gunther breekt de zon plotseling door. Mutsen, handschoenen, winterbroeken en dikke overschoenen lijken heel eventjes ontzettend overdreven. Na een uurtje is dat gevoel voorbij. Dan krijgen we een snoeiharde hagelbui recht in ons gezicht. Mijn sokken worden nat.

DSC_3807

Om 23.15 uur arriveren we bij een Waalse-Chinees, die tot middernacht open is. We vertrekken als ie gaat sluiten. Dan zijn we warm, hebben we een liter cola gedronken, een kapotte rits dicht geniet (echt waar), twee keer naar de w.c. geweest en een telefoon opgeladen met een geleende adapter. En we hebben heel vette nasi gegeten.

Onze route is nagenoeg perfect. Eén keer is het een beetje spannend, dan moeten we, met fiets, een viaduct opklimmen. Ik aarzel een paar minuten voor ik dat echt doe. Billy rijdt door rood als blijkt dat de enige andere verkeersdeelnemer een politieauto is. We mogen verder, maar staan bij alle volgende stoplichten op niks te wachten. De Waals-Chinese nasi komt naar boven en ik moet een halfuurtje wat minder hard fietsen. We missen twee keer een afslag, waardoor we in totaal twee kilometer omfietsen. Een gravelpad verandert in een hindernisbaan en daar loop ik een klein stukje – ik ben renner, geen mountainbiker natuurlijk. Billy racet gewoon door – die is dus wel part-time mountainbiker. En we stoppen af en toe. Gewoon omdat het kan. Omdat er bijna niemand op straat is.

RouteDD

10 kilometer voor de finish gooien we het gas nog een keer open. Het einde is in zicht. Door Oostende gaan we bijna voluit. We moeten naar een plein, met rare, rode blokken. Als we daar een sms’je naar Gunther sturen zijn we gefinisht. De laatste bocht. De zee! De rode blokken! We zijn er voor 7.00 uur! En zijn helemaal niemand tegen gekomen!

Pal voor ons zien we twee andere renners, bepakt en bezakt het plein opfietsen. Die jongens kennen we, het was het laatste koppel dat we achter ons hebben gelaten.

DSC_3839

Finishers-party (partners en kinderen kwamen ons verwelkomen!)

Oostende is uitgestorven. Een aardige caféhoudster verleent ons ruim voor opening toegang. We warmen op. Ik leer dat je sokken kan drogen met zo’n handblower in de w.c. Na een dik half uur komt een volgend team binnen. Dan blijkt dat we niet tweede, maar derde zijn geworden. Er is een ander team, een half uur eerder aangekomen. Dat scheelt, maar maakt het echt uit? Nee, echt niet (behalve als we gewonnen hadden). Het was gewoon een fantastische reis. Een prachtig avontuur. Echt zoiets waarvan je denkt: dat doe ik dus nooit, nooit weer. Hoewel?

DSC_3837

Finish😀

UitslagDD.png

De uitslag. Gegeven is de aankomsttijd.

foto 2

Borderline – met Billy Bronco

Deze post gaat over dit ritje (Strava-link)

7.04 uur
– Sorry dat ik wat laat ben.
– Geeft niks, natuurlijk, Billy. Gaan we niet merken op deze dag. Het is wat kouder dan ik dacht.
– Ja, maar gelukkig waait het niet hard.

DSC_3683

7.20
– Speciaal voor jou, gravelpaden. Zitten vast nog een paar in de route.
– Fijn, precies goed voor mijn carbon fiets, met hoge velgen. Die route heb je wel bijna perfect langs de grens gelegd, Bronco.

8.17
– Is dit Veendam?
– Fuck Astra, ik hoop het niet zeg.
– Oh nee, natuurlijk niet. Vreemd hoe plekken soms op elkaar gaan lijken.

8.45
– Iedere keer dat je een plaatsnaambordjessprint verliest, verlies je dus van een renner met een Camelback.
– I know.

9.11
– Duitsland is toch heel anders.
– Ja, er zijn geen sloten. En ik vind het asfalt kut.
– Maar het is wel echt Duitsland.

10.02
– Kijk uit Billy, er staat een kudde bejaarden op het fietspad.

11.40
– Zullen we even stoppen, ik moet pissen?
– Ik ook. En een broodje eten is misschien ook een goed plan.

11.41
– Is hier iets gebeurd, of rusten jullie gewoon uit.
– Niks aan de hand, meneer agent. We eten een broodje.
– Het ziet eruit alsof jullie een ravage hebben aangericht.
– Komt omdat Bronco hier zijn haar niet gekamd heeft.

DSC_3696

12.50
– Mijn benen draaien niet. Fuck zeg. Het voelt helemaal niet goed.
– No worries. Ik doe wel wat extra kopbeurtjes. We kunnen zo wel een broodje eten, kopje koffie.
– Aah, een latte. Daar heb ik zin in, Astra.

DSC_3700

15.45
– Is dat eindelijk fucking Meppel. Ik ben er wel klaar mee. GVD. Hoe ver is het nog, Broncosaurus?
– Meer dan 100km.
– Fuck. En ik dacht dat jouw benen niet draaiden. Hoe zit het daar eigenlijk mee?
– Gaat wel goed nu. Ben jij een renner die de stal ruikt?
– Ja.

17.10
– Ik heb honger, Billy.
– Ja, ik ook. Even een broodje eten.
– Lekker.

DSC_3701

17.16
– Kijk een snackbar.
– Zullen we patat halen?
– Ja, en een cola.
– En een koffie.
– En een kroket.
– Met veel mayo.
– En een bamihap.
– En een fanta.
– Goed plan, dat broodje heb ik al wel verteerd.

17.54
– Zullen we het laatste stuk maar gaan draaien, Bronco? Beetje naast elkaar fietsen begint toch onzinnig te worden.
– Maakt mij niet uit.
– Ok, doen we dat.

18.04
– Au, fuck it.

18.06
– Fuck it.

18.09
– Au.

18.45
– Kut. Au.

19.00
– Aaaauu.

19.07
– Hee, ik ben wel de plaatsnaambordjeskoning van dit ritje.

19.25
– Bronco?
– Ja?
– Dat van die stal ruiken, hè. Vandaag heb ik dat niet.
– Ik ook niet zo.

20.02
– Billy fucking Bronco, we zijn er bijna: 25 km/u is ook best snel.
– Als we opschieten zijn we er precies binnen 13 uur.
– Oh, ok.

foto 2

IMG-20160326-WA0003

De baan

Het is hoog, steil, snel en echt rock ‘n roll. In alles lijkt baanwielrennen niet op wegwielrennen. Tegelijk heeft het heel veel met elkaar te maken. Theo Bos? Hij won alles op de piste, was de snelste renner op de weg, maar kon daar toch niet heel veel winnen. Cipollini wel eens op de baan gezien? Hij schijnt het tegen een vrouw geprobeerd te hebben. Hij verloor.

Deze week had ik een clinic op Sloten in Amsterdam. Mijn tweede kennismaking met het magische hout. De eerste keer had ik bloed in mijn mond staan. Ik hoestte bijna mn longen uit. Maar ik had wel een sprintje van diezelfde Theo Bos gewonnen. Hij zat mij lachend aan te moedigen en ik kon echt niet harder. Dat was in Alkmaar en meer dan 10 jaar geleden. En iedereen die wel eens in Alkmaar en in Amsterdam is geweest weet: Alkmaar is voor mietjes.

De eerste rondjes op de Côte d’Azur zit ik te trillen op de fiets. Het is koud maar ik ril omdat ik bang ben. Ik weet dat ik straks omhoog moet, de bochten in, maar kan me er nu niets bij voorstellen. Langzaam went het. Eerst op zwart. Dan rood. Dan blauw. Dan begin ik te racen en ga ik nog hoger, nog sneller.

IMG-20160328-WA0009

We zijn met 10 man. We kennen elkaar, soms maar heel vaag. Iedereen kent Hans. En Hans kent iedereen. Er zitten huisvaders en roeiers bij, oude BMW’s en nieuwe Volvo’s. En na een half uurtje klooien gaan we met z’n allen racen. 2 minuten, wie de meeste meters aflegt wint. Ik krijg klop in de eerste rondjes, maar kan gas blijven geven en vecht me wat terug. Dan volgen 200 meters, met vliegende start: de sprint tijdrit. Nu krijg ik echt klop.

Onze trainer is Benjamin Martin. Een fietsleven geleden 9x Nederlands kampioen op de baan en hij is een keer met Bos op de vuist gegaan. Op het middenterrein van Sloten. Hij vertelt het en detail.

Als dessert mogen we gewoon rondjes rijden, met intervallen. Je kan rijden waar je wil. Ik kies een plekje hoog in de baan. En geef gewoon gas. De cadans. Het piepen van de baanfiets. Het zoeven langs de reling. Het kletteren van het hout. Fluitjes van de trainer. Het is alsof ik vrij ben.

Iedereen die wel eens op een ijsbaan heeft gestaan, weet dat dit een heel slechte copie van buitenijs is. Iedereen die wel eens op een wielerbaan heeft gereden, weet dat dit een briljante aanvulling op de weg is. Het is echt Rock ‘n Roll.DSC_3636

The commute

I commute to work. A little over 9, or as I like to say a little under 10 km per trip. It gives me 18 km every working day, 90 per week and with some 42 commuting weeks an estimated 3780 km per year. Although I may add the numbers, these are the kilometers I don’t count. The kilometers I count I do on a racing bike. Commuting is just fun to dress the working day.

And fun it is. Every morning I am amazed by the views. I pass a little Dutch windmill, which tries hard to impress me. It hides in fog, in rain, in snow and in darkness. Or it bathes in all the colours of the rainbow.

On special days I may stop to take its picture, to capture the beauty of the commute. (It’s there! Just take a closer look.) The little mill can bring a smile to my face and even a tear to my eye. Whatever it is, I always look forward to see it.

Shortly after the mill I roll into town and there the race begins. The competitions shows up: the other cyclists, cars, motors, lorries, pedestrians and traffic lights. By the time I reach the office I’m sweating, out of breath and fully pumped up. The peace and the emotions of the windmill are long gone. I’m ready to start my working day.

DSC_3174DSC_3203DSC_3144DSC_2370-2DSC_2455-2DSC_2414-2DSC_2357DSC_2367IMG_20160124_215129DSC_3177

nwo

NWO-aanvraag

 

Om te gaan promoveren gaf ik een fulltime en vaste aanstelling als geschiedenisdocent in het vmbo op. Ik zou fors minder gaan verdienen, maar dat had ik er voor over. Hoewel ik plezier had in het lesgeven zocht ik meer intellectuele uitdaging. Vijf jaar later verdedigde ik succesvol een proefschrift over de geschiedenis van de wiskunde.

Omdat ik vind dat publiek gefinancierde wetenschap niet in een ivoren toren hoort plaats te vinden deed ik tijden mijn promotieonderzoek veel aan popularisering. Ik gaf talloze lezingen, organiseerde congressen, was betrokken bij tentoonstellingen, schreef stukken in de krant en maakte zelfs een televisie documentaire, die werd uitgezonden op (toen nog) Nederland 2. Ik wilde dat mijn onderzoek relevant was.

Dit ging zo goed dat NWO, de organisatie die in Nederland het onderzoeksgeld verdeelt, mij er op een gegeven moment zelfs een prijs voor gaf (die prijs was overigens een wassen neus). Ik bleek duidelijk talent te hebben voor dit onderdeel van de wetenschap. Er van overtuigd dat de focus op ‘valorisatie’ en ‘maatschappelijke relevantie’ geen holle frasen waren, dacht ik mij te onderscheiden van andere jonge onderzoekers.

Mijn harde werk viel op. Het Koninklijk Eise Eisinga Planetarium betaalde me voor een historisch onderzoek naar haar ontstaansgeschiedenis. Op de universiteit kreeg ik een baan om wetenschap en onderwijs dichter bij elkaar te brengen. Ik besloot het Planetarium-onderzoek uit te werken voor een NWO-Veni aanvraag, de beurs voor jonge, net gepromoveerde onderzoekers.

Mijn aanvraag zou op drie onderdelen beoordeeld worden, zo stond in de ‘call’. 1. Kwaliteit van de onderzoeker (40%). 2. Kwaliteit van de aanvraag (40%). 3. Kennisbenutting(20%). Ik rekende erop als ‘onderzoeker’ goed te scoren op het gebied van kennisbenutting, naast dat ik veel onderwijservaring had. Vrijwel iedere wetenschapper aan een Nederlandse Universiteit dient die zaken namelijk met elkaar te combineren. Om de aanvraag inhoudelijk goed voor te bereiden had ik contact met allerlei topwetenschappers uit binnen- en buitenland. Ik stak er veel tijd en energie in, maar het leek me dat ik goed stond voor gesorteerd.

Het sluitstuk van mijn aanvraag was de kennisbenuttingsparagraaf. Hiervoor kreeg ik 30.000 euro aan in kind bijdragen van het Planetarium en de Friese erfgoedinstelling Tresoar. Ik had een filmpje gemaakt als teaser. Daarnaast had ik een website gebouwd als voorbeeld hoe hoe ik mijn onderzoek maatschappelijk relevant kon maken.

In principe wordt een NWO-aanvraag door specialisten anoniem beoordeeld: gepeerreviewed. Bij te grote aanvraagdruk kan NWO besluiten om een voorselectie te maken en niet alles zo zorgvuldig te laten beoordelen. In mijn geval besloot NWO hiertoe en tot mijn grote teleurstelling kwam ik niet door die selectie.

In de afwijzende mail stond dat mijn aanvraag op twee onderdelen was beoordeeld: Kwaliteit van de onderzoeker en van de aanvraag. In de toelichting kwam de kennisbenutting nog met één zin terug. NWO kon ‘zich voorstellen dat een boek over het planetarium zijn weg naar een breder publiek zal kunnen vinden’. Ik beloofde van alles in het kennisbenuttingsonderdeel, maar geen publieksboek over het Planetarium. Het filmpje was niet bekeken, de website niet bezocht.

De afwijzing van NWO was verder gemotiveerd met: de onderzoeker heeft te weinig internationale gerefereerde artikelen en het voorgestelde onderzoek zou niet interessant en niet internationaal genoeg zijn. Mijn onderwijservaring deed er niet toe, mijn ervaring op het gebied van valorisatie kennelijk ook niet. De talloze experts die ik had geraadpleegd hadden een andere mening, maar ook dat deed er niet toe. Ik ging in beroep tegen de beslissing. In de afwijzing daarop erkende NWO dat de opmerking over ‘een breder publiek’ beter niet gemaakt had kunnen worden, maar dat deed verder niks af aan hun besluit.

Ik had een halve kerstvakantie aan dit onderzoek zitten schaven, nadat ik er maandenlang weekenden en avonden tijd in had gestoken. Mijn hele netwerk was gemobiliseerd om mee te lezen en commentaar te geven. Er zaten honderden uren werk in. De afwijzing van NWO besloeg minder dan 200 woorden, de 20 over ‘het brede publiek’ meegerekend. Voor zover ik kon beoordelen hadden er alleen mensen naar gekeken die niet gepromoveerd waren, maar zekerheid had ik daar niet over. Het enige dat ik met zekerheid kon zeggen was dat de mensen die mijn aanvraag hadden beoordeeld niet de moeite hadden genomen om de links in het documentje te gebruiken.

Wetenschap is fantastisch. Wetenschap aan de man brengen ook. Onderwijs geven dat door wetenschap gedreven is, is een van de grootste uitdagingen waar de universiteit voor staat. Het is daarom extra jammer dat de manier waarop we wetenschap hebben ingericht zo idioot en onzorgvuldig is. Onderwijs wordt niet beloond. Het belang van wetenschapscommunicatie wordt vooral met de mond beleden

Mijn ervaring is dat NWO zeer onzorgvuldig kan zijn. Mijn ervaring met aanvragen bij NWO is dat ze onvoorstelbaar demotiverend werken. Ik kan niet anders dan zeggen dat de huidige competitie niet loont.