Hongerklop

M’n hand begint wat te trillen, ik voel een beetje honger. Daar schrik ik wat van. Dit is niet meer gewone trek, dit lijkt op een hongerklop. Ik heb geen moment te verliezen. Snel pak ik wat ik vinden kan. Reepjes, snoepjes, ik biets een gelletje bij Stuntman. Het lijkt erop dat ik net op tijd ben om de echte ram van de honger te voorkomen. Ik weet niet beter.

We zitten 240 kilometer in de laatste etappe. Kopman is – na zijn heroïsche Napoleontocht – niet opnieuw opgestapt. We zijn vandaag dus grotendeels met z’n vijven. Over een paar kilometer gaan we lunchen en daar gaat het mis. Maar voor nu is mijn Fringale (=Frans voor hongerklop) bezworen, en lijkt ons grootste probleem de navigatie die slecht werk tussen de bomen. En af en toe een te lange kopbeurt, waardoor er wat onrust ontstaat.

De lunch is midden in een klein Frans plaatsje, in de ‘Salle des Fêtes’ in het dorpshuis. Er is keuze uit vlees of vis. Ik eet in principe geen vlees, dus het wordt vis.

We fietsen de hele dag over glooiend terrein, heuvel op, heuvel af, en op en af. We grossieren in lekke banden. En we zien heel, heel veel graan. Het is kurkdroog en snikheet en er staat een zeldzame harde oostenwind. Die blaast stof en hitte in ons gezicht. Over zes fietsdagen leggen we ca 2.400 kilometer af. We hebben ongeveer vijf en een halve dag wind tegen gehad, zeg maar 2.200 kilometer.

Om de tocht te kunnen volbrengen stoppen we ons constant vol met eten. Nu op de laatste dag heb ik daar genoeg van. Daarom liep ik zojuist bijna tegen een hongerklop aan.

Als mijn lunch komt, word ik plotseling misselijk. Alles begint te draaien. Ik zie mensen praten, maar weet niet zo goed waarover. De stemmen klinken hol, maar echt verstaan lukt me niet meer. Of het goed met me gaat, vraagt iemand. Ik neem wat hapjes van mijn veel te lang gekookte vis. En plak er wat kleverige rijst achteraan. Daar wordt het niet beter van. Moet ik overgeven? Is dit het gevolg van mijn overdosis zoetigheid zopas? Nog 160 km tegen de wind, zonder eten, is geen prettig vooruitzicht.

Ik ga staan en zeg, terwijl ik me aan de tafel vasthoud, dat ik vast vertrek. De rest moet me maar inhalen. Bij de bus helpt Stunt me aan wat water. Was de hitte in de ochtend nog dragelijk, we gaan een middag in waarin de zon door de wolken is gebroken. Draaiend zit ik op mijn fiets. En ik doe het enige dat in me opkomt. Ik ga op de pedalen staan en fiets weg, terwijl ik langzaam de snelheid opvoer. Uiteindelijk is dit wat ons hier heeft gebracht: fietsen.

10 kilometer later kom ik bij een boerderijtje met de veelzeggende naam ‘La Fringale’. Daar stap ik af, neem wat water en een selfie. Het gaat wel weer. Nog weer 10 kilometer later loopt de groep me in. We gaan ons avontuur afmaken. Ik voel me weer redelijk ok. Na een Tour de France doet je lijf wat gekke dingen.

Om 22.00 uur komen we aan bij de finishplek van de Tour de France van 1903. Uiteindelijk hebben we ongeveer 170 kilometer van de originele route overgeslagen. Door weer, wind, regen en vermoeidheid leek ons dat af en toe beter. Maar we zijn nu echt aan het eind van ons avontuur. In zes dagen hebben we Frankrijk doorgefietst. Van alles was het geurpallet misschien wel het rijkst. We zijn door lavendel, bossen, pijnbomen, stoffige korenvelden, langs rivieren, door een knoflookgebied, en langs frisse ochtend weiden gegaan. Overal achtervolgd door een andere geur. We kwamen door industriegebieden, door Franse sloppenwijken, bij bakkers in de ochtend, en we roken de kenmerkende geur van ijzer op ijzer, van slecht verbrande diesel uit autootjes van Franse jeugd. We roken elkaar – dat was niet altijd even leuk. We roken de zee, verse vis, de geur van net gebakken pizza’s (Frankrijk’s nationale snack?), we fietsten door walmen kebab.

Het was een prachtig avontuur. En als iemand het me vraagt zou ik het nooit, nooit weer doen.

De Giro aan de andere kant.

De midlifecrisis van Horvat is bezworen. Dit was het meest idiote plan dat hij kon verzinnen. Chapeau Horv. Chapeau ook Astra 1, Stuntman, Meneer Sjon, Kopman, Intrigant, Wegkapitein, Menso met een s, die andere soigneurs. Dank aan jullie allemaal voor deze fantastische reis.

De laatste rit op Strava: https://strava.app.link/fT5aiM0L9hb

De Snorren

Napoleon

Vandaag rijdt Napoleon mee achterin ons pelotonnetje. Hij zit fier overeind en kijkt uit over het schitterende landschap waar we doorheen fietsen. In de extreme hitte heeft hij een rechte rug. Zijn ene arm hangt langs zijn lichaam, zijn andere houdt hij voor zijn borst gekruist. Wij kennen Napoleon beter als de Kopman.

De Kopman heeft die naam verdiend. Het is niet dat er zomaar lukraak bijnamen verzonnen worden, daarvoor heb je iets gedaan. Niet iedereen die een keer wat veel eet heet een hamster, of iemand die een keer het bordje van de ander leegeet (het wielrenners’ motto) heet een gier. Een bijnaam is een eer. Die draag je met trots.

De Kopman heet zo omdat hij een hoop dingen goed kan op de fiets. Hard fietsen, bijvoorbeeld. Hij kan ook extreem goed met losse handen fietsen. We hadden niets anders verwacht.

En dat komt vandaag goed uit, want hij heeft last van zijn rechterbovenarm. Als hij zijn handen aan zijn stuur houdt doet dat zeer, een kloppende pijn die langzaam opbouwt tot onhoudbaar. Maar dat is geen reden om af te stappen. Van de kleine 380 kilometer van etappe 5, rijdt de Kopman er minstens 200 (en dit is echt geen overdrijving!) met losse handen. Rechtop zittend, uitkijkend over de heuvels, de zee, de bossen. Over slecht Frans asfalt. Zonder dat het gevaarlijk wordt.

De vraag is of hij dat vrijdag nog een keer wil doen?

Voor de rest van ons is de vijfde etappe ook een helletocht. Het is snikheet, en we hebben (weer!) wind tegen. Van de vijf dagen hebben we nu een halve dag wind mee gehad. We stropen het land af voor drinken, hoewel de verzorging van Menso (met een s) en de Intrigant weer van extreem hoog niveau is. Van koffie, tot ijsjes, broodjes en enkele borden tapas.

Maar we klagen niet. Of eigenlijk klagen we wel. Veel en hard en bij iedereen die het horen wil en die het niet horen wil. Maar we fietsen wel door. Met dik 30 gemiddeld leggen we de route tussen Bordeaux en Nantes af. We stoppen bij de zee om te lunchen. En we gooien ons vol water zodra het kan. Eén van ons doet een Tom Dumoulin – hoewel dat zeker niet de eerste keer is dat we op die manier van de berm gebruik maken. Het zijn allemaal dingen die erbij horen.

Het landschap is deze keer adembenemend. Zoals je Frankrijk verwacht. Met zonnebloemen, graanvelden, wijngaarden, zee en strand, kastelen en bruggen. Het is fabelachtig.

Nog één etappe. Er is windkracht 4 voorspeld. En – dat komt niet heel vaak voor – die waait uit het oosten, noordoosten. Van Parijs naar Nantes. Precies de verkeerde kant op. Dan is het extra vervelend om met losse handen te fietsen.

De Strava file staat hier https://strava.app.link/40l7U1T45hb

Verder gaat alles zoals het gaat.

De Sprint

Als een roedel hongerige wolven, of een kleine groep hyena’s op zoek naar een laatste slachtoffer, komt een klein groepje wielrenners de Franse stad Bordeaux binnen. Over de lange Route de Toulouse rijden ze tussen auto’s en bussen. Dat is passend, want ze zijn eerder deze dag, of liever, midden in de nacht voorafgaand aan deze dag uit Toulouse vertrokken.

Ze zoeken iets. Bij verkeerslichten nemen ze af en toe risico’s door vroeg door groen, of net bij oranje door te fietsen. Tot één van hen, Horvat, bijna door rood dreigt te gaan. Een oplettende politieagent, die het clubje al even in de gaten hield, toetert en schreeuwt in het Frans ‘De Tour was hier twee dagen geleden hè. Rood is rood!’. Weet die agent veel.

Onze wielrenners zijn op zoek naar een speciaal teken. Dat teken geeft de stadsgrens aan van deze hoofdplaats van de beroemde Franse wijnstreek: het plaatsnaambordje Bordeaux. Zoals gebruikelijk bij wielrenners weten zij dat wie als eerste zijn wiel langs dat plaatsnaambordje drukt gewonnen heeft. Wat heeft hij gewonnen? Gewoon, de sprint. De race om het bordje. Hij heeft als eerste de plaats bereikt.

Het verkeerslicht springt op groen en de wielrenners vervolgen na een korte sur place hun weg. Kennelijk heeft de lange tocht van Toulouse, een dikke 270 kilometer niet veel indruk gemaakt. Het mag duidelijk zijn, deze wielrenners zijn kilometervreters. Zij vrezen een kort ritje als dit niet. Ook al staat de wind tegen.

Wellicht komt dat mede door de uitmuntende verzorging die hen ten deel is gevallen. De warme hand van Menso (met een s) heeft de verzengende hitte draaglijk gemaakt. Hun vermoeide magen, die al meer dan een week en beginpunt van hun zwaarbelaste spijsverteringsstelsel vormt, kwamen tot rust door de warme broodjes en rijkbelegde stokbroden van Menso (met een s). ‘Heel wat beter dan die ranzige energiereepjes’, mompelde een van hen bij een tussenstop.

In het pelotonnetje houdt een Intrigant zich verscholen. Voor hem was het een opgave om mee te gaan. De kopman, Stuntman, Horvat, meneer Sjon en de Astra’s – want om deze club gaat het – hebben hem liefdevol meegenomen. Ook voor de Intrigant was een plekje vandaag.

Dan schieten ze door een stoplicht en zien luttele honderden meters verderop het teken waar ze naar op zoek zijn. BORDEAUX. De sprint wordt ingezet, de laatste meters van deze etappe leggen ze af. Daar is het einde.

Tijdens de rust die volgt blijken de lijven toch vermoeid. De geesten uitgeput. Er staan nog twee loodzware beproevingen voor de deur voor onze hoofdpersonen. Wellicht dat ze naar noodmaatregelen moeten grijpen om dat draaglijk te maken. Wat dat precies betekent? Daarover vertellen we later meer.

Updates: De strava activiteit https://strava.app.link/SIbVPN3K2hb https://strava.app.link/SIbVPN3K2hb

De reepjesvoorraad blijft maar groot. Gister twee stuks gehad. Toch bijna 10 uur gefietst. Knie gaat goed. Medisch bulletin van alle fietsers begint wel wat lang te worden. Maar de goede moed is er nog wel.

Rustdagen

Ons kleine peloton houdt rust in Toulouse. Een prachtige Zuid-Franse stad waar de Mistral tot rust komt en wij proberen te herstellen. Over de eerste Tour doen wilde verhalen de ronde, waarbij de renners grote feesten vierden op rustdagen, aan clandestien georganiseerde baanwedstrijden deelnamen en probeerden om achter de strategieën van hun concurrenten te komen. Het was ook zaak om tijdens de koers ontstane meningsverschillen bij te leggen.

Bij ons gaat dat laatste best goed. Af en toe snauwen we elkaar af tijdens het draaien van waaiertjes aan de rand van de snelweg, maar dat is het zo’n beetje.

De eerste winnaar, Garin, liet één van zijn teamgenoten die zelf een etappe wilde winnen van de fiets slaan om vervolgens diens achterwiel kapot te maken. Wij duwen elkaar heuveltjes over, geven gelletjes door en doen te(!) lange kopbeurten.

Op deze rustdagen gaat de tocht naar de supermarkt – minder dan 500 meter lopen – klassikaal in de volgbus terwijl we allemaal de tune van the A-Team neuriën. Ondertussen bespreken we om onze wielren-gerelateerde t-shirts. En proberen maximaal te slapen.

De Intrigant zet nog wel alle zeilen bij om iedereen tegen elkaar op te zetten, maar ook dat lukt niet echt goed. We lachen vooral heel veel. In het soigneursteam wordt de Wegkapitein vervangen door Oblong, of Menzo. We zijn benieuwd. Hij heeft nog geen snor, dus moet zijn best doen wat te integreren. We spotten al een t-shirt met volleyballers, het begint nog niet echt veel belovend.

Morgen staat de kortste etappe op het programma. Ca 270 kilometer naar Bordeaux, zo plat als een dubbeltje (dit keer echt) en we starten om 4 uur ‘s nachts. Zo hopen we de hitte te ontlopen en maximaal te herstellen in de hoofdstad van de Franse wijn.

Nog drie etappes. Na twee daagjes rust lijken de pijntjes echt te verdwijnen en zien we de komende dagen weer zitten. Ondertussen is vragen gaan stellen over de eerste Giro d’Italia van 1909. Hoe lang die was? En of dat te doen zou zijn. Stuntman zegt dat ie volgend jaar 50 wordt.

Nou ja. We eten eerst nog maar wat.

De swannies

Omdat onze derde etappe in totaal 430 kilometer is, rijden om 4 uur ‘s nachts weg, we hopen zo voor middernacht aan te komen in Toulouse. De nacht maakt Franse steden magisch. Bij het wegrijden komen we wat verbaasde leden van het uitgaansleven van Marseille tegen. Een vrolijk ‘bonjour’ van ons krijgt vaak als antwoord ‘bon courage!’. Ze roepen het wel, maar niemand weet welke gekkigheid voor de deur staat.

The way out of Marseille voert over een serie kleine heuveltjes waar de buitenwijken van de havenstad tegenaan liggen. Bij iedere top voelen we onze tegenstander van vandaag: de Mistral. Een harde, koude wind die in deze regio uit het noorden en noord-westen waait. Precies ons doel. Richting de bakoven van Frankrijk. Inderdaad, wij begrijpen zelf eigenlijk ook niet goed wat we aan het doen zijn.

De route heeft iets geks. We fietsen door een paar schitterende gebieden, maar omdat Frankrijk zo fantastisch is ontsloten, fietsen we ook veel over de enige echte verbindingsweg van de regio. Die D-wegen blinken niet uit in schoonheid. Meneer Sjon zou als enige van ons over de Péage mogen, maar hij toont zich solidair met de rest.

Gedurende de dag trekt de wind aan, tot we na Montpellier echt 6 Beaufort tegen hebben. Vaak zitten we ‘op de kant’. Dat betekent dat de wind iets van de zijkant komt, waardoor je schuin achter elkaar wil zitten. In een waaier rijden. Dat wordt door de rest van het verkeer niet echt gewaardeerd, dus er rest weinig anders dan voortploeteren met de wind op onze snuit.

Toch halen we het. Niet helemaal ongeschonden – na 300 kilometer knijpt Stuntman in de remmen. Dit keer slaat hij daarbij niet over de kop, maar stapt in de bus om zich bij het soigneursteam te voegen.

Soigneurs, of met een Anglicisme liefkozend ‘Swannies’ zijn er om ‘te verzorgen’ (dit is een hint, Hank en Bub). We hebben er al een paar versleten deze ronde – die waren er alleen de eerste dagen bij. Deze derde etappe zijn de soigneurs van uitzonderlijke klasse.

Bij de eerste stop staan onze spullen uitgestald. Er klinkt wanstaltige, maar ook opzwepende muziek over een luidsprekertje, er zijn verse broodjes gehaald, er staan flessen koud water klaar. En dat om 7 uur ‘s ochtends, op een parkeerplaats bij een Aldi, ergens op een industrieterrein van een kleine Franse stad. Je kan je voorstellen dat we hier heel blij van worden.

De volgende stops brengen ons swannies die om de beurt meefietsen (eerst de Intrigant, daarna de Wegkapitein – wellicht uitstekende intriganten en wegkapiteins, maar als swannies dus van enorm niveau). De stops brengen ons ook nog meer verse broodjes, water, een uitgebreide lunch, voor een enkeling een ibuprofen, cola, winegums, zonnebrand, warme koffie, patat en vochtig toiletpapier om de mee schoon te maken wat vies geworden is. Ze laten ons zelfs een paar kilometer achter de bus aan rijden.

Etappe drie is echt loeizwaar door de Mistral, maar we rijden al om 22 uur door de stad. Vooral dankzij de zorgen van onze Swannies: Dries, Eddie en ook een beetje Jos.

———————————————————————————————————————–

Updates: De strava-upload staat hier: https://www.strava.com/activities/5638206221

Alle verwondingen van de valpartij gaan goed, zowel bij andere Astra, Intrigant als bij mij. Ik houd misschien wel 50 reepjes over, dus als iemand honger heeft, kom gerust een keer langs, ik hoef ze na volgende week voorlopig niet weer, mijn knie lijkt weer helemaal in orde – gister pijnvrij gefinisht (voor mn knie dan) en pijnstillervrij gereden. Dat geldt niet voor alle leden van ons pelotonnetje.

Pijntjes

De tweede fietsdag voert ons van Lyon naar Marseille over ruim 400 kilometer. Hij is amper een uurtje oud of ik begin opnieuw te vrezen voor mijn Tour de France. Ik heb een steek in mijn knie. Bij iedere aanzet is het alsof iemand een priem tussen mijn knieschijf en mijn bovenbeen steekt, maar – en dat is goed nieuws – ik ben er zeker van dat niemand dat doet. Na een tijdje besluit ik tot een drastische maatregel: mijn zadel gaat een paar milimeter naar beneden. Samen met een pijnstiller blijkt dat een magische truc, een half uurtje later verdwijnt de pijn grotendeels en fiets ik fluitend verder.

Etappe twee is de etappe van de pijntjes. Omdat ik geen medische gegevens van derden mag publiceren gebruik ik voor de volgende omschrijving fictieve bijnamen.

De man met de bijnaam ‘Stunter’ heeft last van zijn zitvlak. Dat is niet gek. We zitten inmiddels 800 kilometer op de fiets. De meeste mensen zouden daar last van hebben. Verder heeft hij een dip. Niet echt medisch, maar als Marseille in zicht komt klaart hij op. Dat opklaren verschilt dag en nacht met niet opklaren. Zo’n dip dus.

De man die luistert naar de naam ‘Horlach’ heeft last van zijn liezen. Daar schuurt en daar krampt het. Hij heeft ook echt last van rode stoplichten, die werken niet goed. Verder houdt hij ons wel bij de les. Als onze route versprerd is door een buiten de oevers getreden Rhône staat hij binnen een mum van tijd op sokken om de plaats als eerste te doorwaden.

De man die duidelijk ‘Ster A’ is deze dagen heeft last van zijn nek. En van goede benen. Tot mijn grote frustratie. 42 per uur? Geen probleem. Zijn kilometerteller is slecht afgesteld, dus wij moeten Tandenknarsend in zijn wiel. De heuvels voor we de kust bereiken gaan op en af, vol gas.

‘De Hoofdman’ heeft last van zijn voet en van zijn enkel en dan weer niet van zijn enkel en dan weer wel. Hij past een schoenplaatje aan, en slikt een pijnstillertje. Hij stoempt en hij ramt en hij heeft het stiekem naar z’n zin.

‘Meneer Jan’ vindt alles prima. “Hee, meneer Jan, heb je ook pijntjes?” klinkt het na 350 kilometer. In plat Amsterdams klinkt het “Ja, ik begin m’n benen wel wat te voelen”.

‘De Bard’ en ‘De Akela’ voorzien ons van voedsel en water en meer voedsel. Hebben ze pijntjes? Natuurlijk. Want ook als je maar 200 kilometer op een dag rijdt en je doet dat een paar keer per week, heb je nog overal last van. Maar wat ze vooral hebben is aandacht en eten en frisse moed.

Aan de route ligt het ook niet, de tweede dag. Langs adembenemende gorges, over de hoogste (en enige echte) berg van de eerste Tour, langs grote rivieren, en op 14 juli, door de buitenwijken van de bruisende havenstad Marseille, waar op straat feest wordt gevierd, en de sirenes van politie, brandweer en ambulances een concert geven, terwijl het vuurwerk knalt, leggen wij de tweede etappe af.

Het was een prachtige dag: https://www.strava.com/activities/5628171158

Morgen doen we 430 kilomter. De wind staat tegen. Er is een miezerige 5 tot 6 beaufort voorspeld. Dan hebben we dus geen tijd voor pijntjes, we moeten stoempen.

De Tour van 1903 – Etappe 1

In een split second kijk ik over m’n schouder en zie nog net dat andere Astra me keurig volgt. Ik kan m’n hoofd terugdraaien. Alles lijkt in slow motion te gaan. Maar dat geeft me niet meer tijd om te reageren. De regen tikt tegen m’n helm. De weg komt snel dichterbij. Dan klap ik tegen het asfalt. Met een kraak raakt m’n helm de grond. Achter me hoor ik gekletter. Zo. We hebben toch 50 km schadevrij gereden. 

Er zijn ontzettend veel zaken veranderd sinds 1903. Er zijn verharde wegen gekomen, en veel meer auto’s. De snelheden op de fiets zijn hoger. Er bestaan rotondes. De auto’s laten hier en daar een plasje olie achter.

Ook anders is de regen. In 1903 hadden de renners weken lang prachtig weer. Als wij starten begint het langzaam te druilen en dat gaat in de loop van de dag over is stromende stortregens. Het is ongelooflijk nat.

Daar staat tegenover dat wij met helmen rijden en op carbon racefietsen. Ons materiaal is goed voor elkaar.

Maar de regen van de vroege ochtend blijkt een voorbode. Al na een half uur liggen we dik achter op schema. Na 50 kilometer vallen andere Astra, de Intrigant (vanzelfsprekend) en ik. Ik ga als eerste, dus daar was ik even Astra 1.

De fiets van de Kopman gaat kapot – hij rijdt een tijdje verder op de fiets van de Intrigant (die al eerder in de remmen kneep), voor hij na 325km afstapt.

We missen de bus bij de eerste grote stop na 175 kilometer, en daardoor krijgen we pas na 250 een eerste bevoorrading.

Maar het meest funest is de regen. We rijden zeker 350 kilometer in de regen, waarvan meer dan 250 in de stortregen. En toch hebben we goed moed. We lachen en grappen. We beleven van alles. Van wilde beesten, tot spannende vrachtwagens. Ook al zijn dingen funest, de avonturen helpen ons wel de dag door.

Aan het begin van de avond zijn nog 5 renners in koers. Maar bij de laatste stop regent het zo hard, het is donker, en de weg voor ons zo druk dat we allemaal afstappen en het laatste stuk overslaan. Ik wil niet stoppen, maar na wat redeneren, wat op me in praten (en wat dreigen) zie ik in dat we beter met de auto verder kunnen. Als ik drie uur later, vol pizza en cola, nadat ik m’n wonden heb verzorgd, en lekker heb gedoucht, eindelijk ga slapen, snap ik dat ik ongelijk had. Dit was de beste beslissing.

En ook in 1903 mocht je gewoon weer opstappen als je een etappe niet uitreed. Je deed alleen niet meer mee voor de eindoverwinning.

Het goede nieuws is dat ik geen twee reepjes per uur eet. Dat komt wel goed dus.

Hier vind je de rit: https://www.strava.com/activities/5617784508

De officiële start – Reveil Matin in Parijs

De Snorren

In 1903 had iedere wielrenner geschoren benen, geschoren wangen en een ongeschoren bovenlip. Er zat maar één ding op: ook wij zouden er aan moeten geloven. De snor.

In mijn hele leven heb ik me wel, of niet geschoren. Maar niet een beetje wel en een beetje niet. Ja, tijdens het scheren. Af en toe doe ik een sikje als laatste, of m’n snor als eerste.

Aan die traditie komt een eind.

De eerste etappe bestaat onze Tourcaravaan uit liefst tien man. Zeven renners, en drie volgers. Allemaal hebben ze baardgroei. Er is in ieder geval één volwaardige snor. Er zijn een paar ruige stoppelbaarden, zeker drie vage snorretjes en enkele opzichtige onthoudingen. Ik hoor bij bij de categorie vage snorren.

Al sinds donderdag groeit er langzaam, maar gestaag een lichte waas onder m’n neus. Hoe zichtbaarder die wordt, hoe zenuwachtiger ik ben. Heb je nog baardgroei, als al je energie in het fietsen gaat zitten? En snorgroei? Is een snor doping? Wat zal mijn moeder daar van vinden? Kan ik ergens een reepje krijgen? Telt een snor na het melkdrinken ook?

In de auto naar Parijs vegen we allemaal over onze gezichten. We grijpen naar onze neus. We eten toch maar dat reepje en we staren wat voor ons uit. Langzaam worden we stiller en weer luider. Eten, luieren, en klaar maken.

Morgen is het tijd om de snorren echt te tellen. Morgen kunnen we eindelijk aan ons avontuur beginnen. Er is regen voorspeld.

Horvat
Stuntman
Astra 1 of 2
Kopman
Meneer Sjon
Wegkapitein
De Intrigant
Bub
Hank
Astra 1 of 2

De laatste voorbereidingen

Na maanden voorbereiding ben ik mijn tas aan het pakken om te vertrekken. Fietsbroeken, nieuwe sokken, een luxe regenjasje (je weet maar nooit) en een speciaal ontworpen shirt. In een grote tas gaan reserveonderdelen voor mijn fiets, twee flessen zonnebrand, een stripje paracetamol, en een vers setje scheermesjes. Ik ben van plan om zowel hoofd als benen nauwkeurig te scheren.

Er staan ongeveer 150 reepjes klaar. Reken even mee. Als we iedere dag 14 uur op de fiets zitten (ik ben een optimist, dat moet wel) en ik eet elk uur 2 reepjes, dan zijn dat 28 per dag. We fietsen 6 dagen, dat betekent dat ik 8 reepjes te weinig heb.

Ik ben duidelijk geen Ionica Smeets. En wat doe ik, als ik drie reepjes per uur ga eten!?!

Gelukkig heb ik ook circa 75 gelletjes klaar staan. En dozen met poedertjes, om dorstlesser en energierijke drankjes van te maken. En misschien is er in Frankrijk hier en daar wel wat vers eten te koop.

Om het hanteerbaar te houden moet alles in één weekendtas en één rugtas. Dan past het in de bus en kan de bus onze spulletjes vervoeren.

Ergens heb ik ooit een enorme weekendtas opgeduikeld, waar ik alles in gepropt krijg. En onderin, naast het petje waar ‘1903’ op staat, in een hoekje van mijn toilettas zit een speciaal tubetje zalf. Voor als het misgaat. Voor als het echt gaat schuren.

1903 – Horvat 50

De reden dat wij de Tour van 1903 gaan fietsen is Horvat. Op z’n werk kennen ze hem als Horvat, z’n schoonfamilie kent hem als Horvat, bij massagesalons across the world kennen ze hem als Horvat. Alleen de douane en de belastingdienst doen nog moeilijk, daar wordt hij Maarten genoemd. Stijfkoppen zijn het, die ambtenaren. Ik maak alleen een uitzondering door hem af en toe ‘Horv’ te noemen. Luistert ie ook niet naar.

Horvat werd 50. En om dat eens goed te vieren bedacht hij dat hij de Tour van 1903 wilde fietsen. Wij zouden allemaal om de beurt een etappe mee. Zijn familie zou hem achterna reizen in een auto.

Horv is wel van de spannende ideeën, maar niet van de doordachte plannen.

De familie bleek geen zin te hebben om twee weken achter pappa aan te rijden. Wij dachten dat het leuker zou zijn, en dat de kans op uitfietsen groter zou zijn, als we dit met z’n allen zouden doen. Er werd een datum geprikt – die voor een enkele laffe haas niet goed uitkwam (die blijven dus thuis). En hier zijn we nu, aan de vooravond.

Voor de statistieken: er zijn 6 renners die van plan zijn alles te fietsen (Kopman, Stuntman, Horvat, Meneer Sjon, Astra 1/2 en Astra 1/2), er is 1 renner die van plan is enkele etappes (gedeeltelijk) te fietsen (Wegkapitein), er is 1 renner (De intrigant) die meerijdt met de auto en wellicht een paar stukken meefietst, en er zijn voetbalvrienden van Horvat die ons een aantal etappes komen bijstaan (die drinken wel bier, vermoeden we).

Horvat had al lang een motor en nu is zijn midlifecrisis een heel evenement geworden. Met logistiek, draaiboeken, een begroting, vergaderingen en een Dropbox-map. Het kan niet minder Horvat.

En met nationale persaandacht, inmiddels. Maar daarover later meer.

1903 – Stuntman

Twee keer de Ventoux opfietsen is vaak, maar Stuntman, of zoals zijn familie hem noemt ‘Jos’ haalt er zijn schouders voor op. Een grove schatting is dat hij al zeker vijftien keer de Kale Reus van de Provence is beklommen.

Als Jos iets doet, dan doet hij dat goed. Als hij fietst, fietst hij ver. Als hij valt, valt hij hard. Hij is één van de zes renners die van plan zijn om de hele Tour van 1903 te fietsen. En hij verdient extra aandacht, want Stuntman heeft een groot deel van de voorbereiding op zich genomen. En als hij voorbereidt, bereidt hij minutieus voor.

Er bestaan geen officiële routes om de Tour van 1903 na te fietsen. De wereld is in de tussentijd zo veranderd dat het onmogelijk is om exact dezelfde weg te rijden. En laten we eerlijk zijn, als je 480 kilometer fietst dan maakt het niet zoveel uit of je links, of rechtsom een kerk of een dorpje fietst. Jos heeft zes routes gemaakt die de originele zo goed mogelijk benaderen. Nauwkeurig alles ingetekend, alle mogelijke wegen bekeken in Komoot, in Strava, op Google-maps.

Dat was al vrij belangrijk, maar slechts het begin. Er zijn hotels geboekt, er kwam een dropbox map met handige en overbodige informatie, we hebben QR-codes zodat onze volgbus ons op de afgesproken locatie kan vinden. Eigenlijk kan er niks mis gaan, behalve dat we nog een stuk moeten fietsen.

En dat is bijna zo ver.

P.s. niet iedereen krijgt een uitgebreide introductie – dan is de Tour voorbij, voor ik klaar ben (stukje verwachtingsmanagement naar de jongens toe).

1903 – Le Tour de France

Wat betekent 1903 voor jou?

Voor mij is dit het begin van de legende, het begin van de sport, van alles eigenlijk wat niks met werk te maken heeft: het jaar van de eerste Tour de France. Je kent Lance Armstrong, of Indurain? Je hebt iets met Merckx? Of je vindt Hinault gewoon een lekker ding? Misschien houd je van Joop (Zoetemelk, niet de website, waar je ook best van mag houden). Misschien weet je wie Jan Janssen is, of Theofiel Middelkamp. Als je echt goed ingevoerd bent, maar echt heel goed weet je wie Titus Postma is (succes met googlen). Die Tour de France. Maar dan anders.

Vanaf maandag rijd ik de Tour de France van 1903. Samen met vijf andere gekken, en nog een stel idioten dat ons gaat helpen. Het zijn maar zes etappes. En in die zes dagen rijden we van Parijs naar Parijs, en pakken we onderweg wat rust. Om het wat binnen de perken te houden.

Klinkt best logisch, denk ik?

Het is gekkenwerk. De originele afstanden van de etappes die we zoveel mogelijk benaderen: 467km, 374km, 423km, 268km, 425km, 471km.

Opeens lijkt 268km fietsen een makkie.

Zonder drugs, zonder drank, met voedingsadviezen, op een carbon racefiets, over verharde wegen. Ik ga hier de komende weken verslag doen van dit avontuur. Ik zal de renners introduceren, de soigneurs, de etappes, de geschiedenis, en ik vertel over Frankrijk. Ik neem jullie mee langs de voorbereiding, de avonturen onderweg. Ik zal smerige details vertellen (vooral van anderen) en emotionele momenten delen (pak je zakdoek maar vast).

Zolang ik niet te moe ben om te typen, natuurlijk.

Everesting

Insane in the membrane

Cypres Hill zingt nogal hard door m’n hoofd. Insane in de membrane/Insane in the brain! Want ja, hoe je het ook wendt of keert, dit gaat wel een beetje voor mij op.

Ik ben in Tecklenburg, Duitsland. Mijn wekker gaat vanochtend om 4 uur. We zitten in een prachtig Duits appartement (denk aan alles zo smakeloos en degelijk mogelijk, maar wel bovenop een heuvel, met een fabelachtig uitzicht). De omgeving slaapt nog. Hier en daar springt een lichtje aan, start een auto. Ik zet een Senseo. Niet dat ik daar zin in heb, maar dit zou zomaar eens de enige koffie kunnen zijn die ik vandaag krijg.

Havermout, fruit, gedroogd fruit, een koekje. Ik eet wat ik binnen kan krijgen, want het is inmiddels al 5 uur. Mijn vriendin wordt wakker. Om half 6 zitten we in de auto. Om tien voor 6 staan we op een heuvel. Hier moet het vandaag gebeuren.

De afgelopen weken heb ik deze dag zorgvuldig gepland. Ik weet wat voor eten ik bij me heb. Ik heb liefst 12 bidons met drinken klaar gemaakt. Er staat een gekoelde pastasalade klaar. Ik heb 15 gelletjes, en ca. 20 reepjes, met nog een tiental pakjes met snoepjes en energie snacks in bundeltjes klaar liggen. Er zitten ook 6 krentenbollen, 6 bruine bollen en 6 boterhammen met ei bij. Gisteravond heb ik (en dit bleek redelijk geniaal, al zeg ik het zelf) een pizza gekocht. Die staat gesneden en afgekoeld in het kratje met de voorraad.

Mijn fiets is op het laatste moment door Guido van Velodroom gefixt: het juiste kleine verzet zit erop. Ik heb meerdere setjes kleding bij me, just in case. Ik heb een huisje geboekt. Een berg uitgezocht, met het juiste stijgingspercentage, met de juiste lengte, zelfs in de juiste richting. Het weer zit mee. De wind staat goed. En toch ging het bijna mis.

Gisteravond heb ik de klim verkend en toen bleek ie volgens mij niet geschikt.

Hoezo, niet geschikt!?

Ik ga vandaag een Everesting proberen. Dat is één van de meest idiote dingen die je kan doen op een fiets. Het is de hoogte van Mount Everest (8848 meter) in één rit rijden. En dat niet alleen, op één klim, die je steeds langs dezelfde weg afdaalt als je hem klimt. Dat heet in het Engels een ‘rep’, van repetitie – en dat is het wel.
Mijn Strava segment heeft een hoogteverschil van 86 meter, met een piepkleine afdaling in de klim. De weg duikt even naar beneden, twee meter. Dat betekent dat je iedere klim 2 meter meer stijgt dan het hoogteverschil is (88 meter). Daarnaast mag je de twee meter in je afdaling weer meetellen (90 meter). Dat zijn gratis meters!

Maakt dat wat uit dan? Ja, want ik wil de klim 99 keer doen (8910 meter). 99×4 meter is een kleine 5 extra beklimmingen, dus het verschil tussen 99 en 104 reps.

Maar bij de verkenning is die afdaling er niet. De weg vlakt wel af, maar gaat zeker geen twee meter naar beneden. Dus ik neem een moeilijke beslissing, ik ga de klim ca. 200 meter verder afdalen, dan heb ik die 4 meter alsnog gewonnen. Maar dat betekent wel dat ik 2x200m x 99reps is bijna 40 kilometer verder moet fietsen. Geen heel dikke 200, maar een kleine 300 kilometer heb ik voor de boeg.

Maar ik begin goed. Mijn vriendin zit een groot deel van de dag bovenop de berg te lezen, mij bidons en broodjes aan te reiken als ik daar om vraag. Af en toe schreeuwt ze hoeveel reps ik heb. Dat is natuurlijk fabelachtig. De heel dag leest ze Couperus op een berg in Duitsland, alleen omdat ik idiote dingen wil doen.

Om bij te houden hoe ver ik ben heb ik een mooi systeempje bedacht. Iedere klim is 1.45 kilometer, dus iedere 5 reps is het 10voudige, 14.5kilomter. Ik houd rondes bij en als ik 5 reps heb, druk ik op mijn gps-unit op ‘ronde’ – dat moet ik doen als ik bovenaan de berg op 14+ kilometer zit. Zo weet ik steeds precies hoeveel ik nog moet.

Daarnaast heb ik geen fuck te doen natuurlijk, dus ik maak de hele tijd rekensommetjes met de ‘rep’ waar ik in zit. De tafel ban 34 bijvoorbeeld. Is 67 priem of niet? Wie ken ik die geboren zijn in (19)80?

De eerste 33 beklimmingen gaan razendsnel. Ik trap echt door de boter. En dan voel ik opeens een vermoeidheid. Ik ben al uren bezig, maar heb nog geen twee bidons leeg. Ga ik niet te snel? Bij 40 weet ik vrij zeker dat ik te snel ga. Bij 45 besluit ik mijn snelheid los te laten. Als ik dat nu niet doe, dan haal ik het niet. Iedere beklimming duurt steeds een klein beetje langer. Mijn vermogen zakt, mijn snelheid neemt af. Ik hoopte om 19u klaar te zijn, dat wordt 20, dan 21, dan fuck it.

Opeens hoor ik iets links achter me. Een blonde Duitse vrouw, zo’n sportschooltype, zeg ik in my defence, zegt dat ik haar wiel moet pakken. Ze zit op een mooie stadsfiets, zonder een motor zie ik tot mijn schrik, maar met een derailleur. Ik zet aan om bij te blijven, ga op de pedalen staan, en dan schud ik mijn hoofd. Ga weer zitten en constateer dat ik gelost wordt door een vrouw op een stadsfiets, een sportschooltype, met een fiets met derailleur, maar toch. Dit zou Ronald nooit gebeuren, denk ik nog.

80 is een echte mijlpaal, dan weet ik dat er nog minder dan 20 te rijden zijn. 90 is even euforisch. IK heb het gevoel het nu sowieso uit te rijden. Ik stop met nadenken over drinken en eten, het zal nu wel allemaal vanzelf gaan.

Bij 94 heb ik bijna een hongerklop. Ik stop alles wat ik in mijn zakjes kan vinden in mijn mond. Boven roep ik om de laatste stukjes pizza. Dat was een zaligheid, een heerlijke versnapering. Nu is het een lifesaver. Ik ben de klop net voor.

Is het leuk? Het is leuk om een dag met een berg te zijn. Ik heb reeën gezien, eekhoorns, roofvogels, boeren die het land bewerken, mensen op elektrische fietsen (echt heel erg veel mensen op elektrische fietsen), wielrenners, Duitsers in auto’s (het lijkt alsof iedere tweede auto in Duitsland een witte BMW is). Ik heb de zon op zien komen en onder zien gaan. En steeds maar ben ik doorgefietst. Uiteindelijk ben ik 15.37u onderweg, waarvan ik 14.52u echt fiets (ik heb dus in totaal 45 minute pauze). Maar is het leuk? Ja. Zou ik het weer doen. Kan zomaar. Maar nu ff niet. En ook al zit mijn vriendin geduldig te wachten en zorgt ze voor mijn eten en drinken, je bent de hele dag eigenlijk alleen.

Onderweg heb ik deze blog in mijn hoofd geschreven. Een verhaallijn bedacht, over de geschiedenis van Everesting, over de kleinzoon van een Britse Mountaineer, over Andy van Bergen die dit bedacht heeft, over de zwaarte van de tocht, over het dal waar ik rond rep 45 in zat, over het leven van een reeënfamilie, een loflied geschreven op koude Margaritha pizza, over Insane in the brain, over een pijntje in mijn knie, over de snelheid waarmee m’n fantastische 3T fiets de afdaling indook, over alle podcasts die hierover te vinden zijn. Maar het is eigenlijk gewoon een lang relaas geworden.

En dat past goed, want Everesten is gewoon heel lang en dan moet je soms even doorbijten.

Hier de Strava Upload. En ja, deze poging is gevalideerd door everesting.cc!

Edit: En RTV-Noord vond het leuk genoeg om er een verslagje van te maken.

HUN350 – A Midsummer Night’s Dream

Het doet zeer. Mijn benen doen zeer, mijn nek doet zeer, mijn handen doen zeer en mijn kont doet zeer. Ik heb pijn in mijn voeten en in mijn schouder, ik heb schrammen op mijn schenen en ik heb ongelooflijk honger, maar mijn lijf wil niks meer opnemen.

En Billy fietst ergens voor me uit. Want Billy is een klootzak, die veel te hard kan fietsen.

Ons plan was even idioot als fantastisch. Op de langste dag, ten tijde van de zonnewende, zouden we alle publiek toegankelijke hunebedden in Nederland bij langs fietsen. Ze allemaal aanraken. En onderweg iedere fucking single track en elk mtb-parcours in Drente aandoen.

De route is 350km lang en we verwachten ongeveer 20 km/u te fietsen. Dat klinkt niet heel snel hè? NOU DAT IS HET DUS WEL.

IMG_20200620_231924

Billy Bronco heeft samen met Prengo (dat zijn bijnamen, maar net als bij Luxaflex 7-Up weet niemand hoe je ze anders zou moeten noemen) de route bedacht. Ieder jaar organiseren ze een self supported tocht. Dan komen er mensen van over de hele wereld (naast Nederland uit België, Frankrijk en Duisland) in één of meerdere dagen de route afleggen.

Er waren dit voorjaar twee semi-profs die de route kregen, hem gingen fietsen, daarmee aandacht vroegen voor hun sponsor, en toen vergaten hoe ze aan de route waren gekomen. Dat vindt Billy niet leuk. Bij ieder hunebed vragen we: Zou Gerben de Mos dit ook gedaan hebben? En Bekking? We denken vaak van niet.

De route is heilig. Als een gereformeerde dominee die toeziet op de zuiverheid in de leer van zijn schaapjes, zo ziet Billy er op toe dat we iedere meter van die kutroute rijden.

En ik zeg kutroute, maar wat is het prachtig. We starten om half 12 ochtends en komen de volgende ochtend om 9 uur aan. Tussendoor alleen maar gefietst.

P1060371

Denk eens aan het allermooiste bospaadje dat je ooit gezien hebt. Wat voor? Maakt niet uit, mag van zand, gras, gravel, schelpen, modder, keien, iets anders. Het mag oplopen, of dalen. Tussen de bomen, of net buiten het bos, op een open plaats, of in een donker woud. Alles mag. En we hebben het allemaal gezien in één nacht.

En dan maakt het niet zoveel uit dat het zeer doet. Of dat ik zit te hallucineren van slaap en voedselgebrek, of dat ik midden in de nacht keihard tegen de bosgrond aanklap. Of dat ik verschrikkelijke zadelpijn heb.

Want het doet niet alleen zeer, het is ook fantastisch.

Monstertijdrit

Na twee kurkdroge jaren heeft de natuur besloten daar wat aan te doen. We zitten in een regenseizoen. Da’s allemaal hartstikke leuk, maar is dat ook zo als je wil fietsen? Gister reden we met onze NCK ploeg een hoosbui in, vandaag is het nog erger. Het regent, serieus. En het waait. Weet je waar het echt hard waait en regent? Precies in de Flevopolder. Dus daar hebben we op zaterdag gefietst en daar ga ik op zondag weer fietsen. Het seizoen afsluiten.

Dit is het bizarre plan: een tijdrit van bijna 138 kilometer, over een ruitje van iets meer dan 34 kilometer. Dat ruitje rijd je dus vier keer. Onderweg van Groningen naar die polder moet ik langzaam rijden omdat het zo hard regent. De helft van de deelnemers – beter is: inschrijvers – zegt af. Er staan nog 64 mensen aan de start, ipv 125. Ik hoop een beetje dat alle kleppers ook geen zin hebben, maar zo leuk is de wereld niet. De toppers laten het niet afweten.

Vind ik dit leuk, vraag ik me hardop af. Ja, ik vind dit leuk. Maar na gister bekruipt een paar minuten voor de start mij het gevoel dat ik dit toch een matig plan vind. Hoe hard je ook fietst, je bent altijd 3 uur onderweg. En fietsen in de regen is leuk. Een beetje afzien is leuk. Fietsen met keiharde wind is leuk. Fietsen als je een beetje pijn in je benen hebt van de vorige dag is leuk.

MAAR IS ALLES GECOMBINEERD OOK LEUK!?

Eigenlijk wel.

IMG_20190929_114130

Lang verhaal kort. Het eerste rondje gaat zo hard, dat ik denk dat ik op het podium kan finishen. Het tweede rondje bevestigt dat gevoel. Bij het derde rondje weet ik dat ik toch vermoeid kan raken. Ik fiets dan meer dan 100 km met een gemiddelde van boven de 43 kilomter per uur en merk dat mijn cadans laag wordt, mijn energie wat opraakt. Het breekt je dus een keertje op.

In de laatste ronde vliegt mn ketting eraf. Dit keer is er geen mechanieker/veteraan in de buurt. Deze museumdirecteur laat een paar momentjes zijn minder fatsoenlijke kant horen. Ik leg hem er zelf weer op, spring op mijn fiets, vind ergens mijn ritme en het kost me niet super veel tijd.

Uiteindelijk word ik 5e (en ben ik de tweede Nederlander, jeej). Ik heb zojuist voor twee personen patat (friet) en snacks met voor drie personen mayo gegeten en nu gaat het wel weer. Alleen ik kan niet zo goed van de bank opstaan, moet ik m’n fiets nog schoonmaken en ik weet ook nog niet hoe ik morgen m’n veters ga strikken.

IMG_20190929_195635

NCK 2019

Een medewerker inkoop bouwmaterialen, een manager ICT, een commercieel manager, een suikertechnoloog, een inspanningsfysioloog en een museumdirecteur, ondersteund door een veteraan en een ziekenhuismedewerker, allemaal ouder dan 30. Het is een bonte verzameling waarmee we hier aan de start van een wielerwedstrijd staan. Nog onwaarschijnlijker: we zijn een ploeg, een equip, een team. Daar horen ook onze reserves bij, die hier niet staan: een schilder en een student (die overigens niet ouder is dan 30).

We staan in een winderig Dronten, op een hoog startpodium, klaar voor een ploegentijdrit van 50 kilometer. Het NCK, het Nederlands Clubkampioenschap, de wedstrijd waar alle Nederlandse clubs de degens kruisen. Traditioneel op de laatste zaterdag van september, de afsluiting van het Nederlandse wielerseizoen. We staan klaar voor de meest heftige en emotionele discipline in het wielrennen. Een plek bij de eerste 20 clubs van Nederland is de droom, een plek bij de eerste 30 lijkt realistisch.

IMG-20190928-WA0039

De medewerker inkoop zit mooi op zijn tijdritfiets. Hij heeft zijn handen hoog, voor zijn gezicht. Eén brok spieren, op een glimmende, zwarte Cervélo. Een plaatje om naar te kijken.

Voor de ICT manager is dit het eerste NCK. En hij is vastbesloten om tot de finish mee te rijden. En dat lukt de verweg grootste man van ons team. Bij de finish is hij stil en moet stiekem een traantje laten.

Een commercieel manager heeft niet zoveel tijd als hij zou willen. Hij traint, maar dat ontgaat de ploeg een beetje. En wat hij mist aan tijd, maakt hij goed met talent. Pas een paar weken voordat we op dat startpodium moeten verschijnen, blijkt hij toch in orde. Als we een invaller nodig hebben, is hij er voor de ploeg.

(gaat verder onder de afbeelding, dus doorscrollen)

IMG-20190928-WA0034

De suikertechnoloog moet ontzettend veel laten om hier te zijn. De suikerbietencampagne is AAN, en dan zijn suikertechnologen eigenlijk onmisbaar in een fabriek in Hoogkerk. Maar dat is hij ook voor onze equipe. Dus ook al werkt hij dag en nacht, hij moet hier zijn. Vandaag neemt hij ons op sleeptouw, zet het tempo, en coacht ons naar de finish.

De inspanningsfysioloog is één van de oudjes, maar heeft weer perfect gepiekt. Hij is in bloedvorm, kan harde beurten fietsen. Daar zitten ook te harde beurten bij. Vloekend roepen we hem tot de orde. Als een jonge hond snokt hij op kop.

Op ongeveer de helft vliegt de ketting van de museumdirecteur eraf. De ziekenhuismedewerker trapt op de rem van de volgauto, de veteraan springt eruit, legt de ketting erop, en duwt de museumdirecteur weer aan. Die schreeuwt harder, harder, maar de (topfitte) veteraan rent al heel hard. We verliezen als ploeg niet meer dan een minuutje en dat is een wonder.

IMG-20190928-WA0036

De wind blijft beuken en beuken, maar we komen steeds beter in formatie. Dan gaat de hemel open en begint het te regenen, hard te regenen. Dat mag de pret niet drukken, want we halen de finish met vijf man. Ondanks de technische malheur pakken we daarmee precies de 25e plek.

Na de finish kunnen we alleen nog hopen dat we worden opgeroepen voor een dopingcontrole (want hoe vet is dat?!?), maar helaas zit dat er dit jaar niet in. Misschien volgend jaar wel, of misschien kunnen we dan weer top 20 rijden. Wie weet wat we daarvoor nodig hebben. Een leeuwentemmer, een dierenarts, een professor, een werkzoekende,  een tuinman of een boer. Iedereen is welkom, zolang je maar lekker in de regen wil fietsen met ons.

IMG-20190928-WA0050

(Featured Image door Lianne Otter, de rest van de foto’s door mensen van Cycle Sport Groningen, of andere Astra’s).

Bloedblaar

Liggend op de bank kijk ik naar mijn linkerduim. Heel klein, net aan de binnenkant, zit een klein blauwpaars vlekje. Als ik opsta van de bank doet alles zeer. Op het moment dat mijn rechtervoet op de grond komt, trek ik hem onwillekeurig terug. Daar zit een flinke blaar op. De muizen van mijn handen zijn beurs, gelukkig zonder blaren. En, eh, er zijn meer plekken waar het zeer doet. “Goddamnit, Arjen, where doesn’t it hurt?” Nergens dus.

Het plan was ingewikkeld en weerzinwekkend. 350 kilometer fietsen – hoe stom het ook klinkt: dat leek niet per se het probleem. 350 kilometer fietsen, langs alle hunebedden in Nederland, grotendeels off road, in één keer, over 100 mountainbike parcoursjes: dat leek wel een probleem. Heel leuk allemaal, als je een MTB’er bent. Maar ik ben goed in lang, rechtuit fietsen, doorstampen. Niet in ingewikkelde bochtjes, over smalle paadjes.

Toch was de uitdaging te mooi om te laten liggen.

Billy Bronco en Prengo (ik moet echt goed nadenken om te weten wat hun normale namen zijn) hebben een fabelachtige route gemaakt, waarbij het ene off road stuk aan het andere is geknoopt. Van de 350 kilometer, gaat misschien 35 over asfalt. En langs 55 hunebedden. We starten om 10 uur ‘s ochtends, ik verwacht er zo’n 17 uur over te doen, dus om 3 uur ‘s nachts aan te komen. En regels zijn regels, je moet naar ieder hunebed fietsen en het aanraken. Daarna door.

Stel je de volgende scene voor. Een prachtige dag, begin juni 2019, een vrolijke modelfamilie speelt bij hunebed Dxx (vul zelf maar in). Vader bekommert zich even om de kleine kinderen, als moeder verschrikt opkijkt: er komen drie wielrenners, op grote fietsen, met dikke banden recht op haar af. Terwijl vader het speelgoed van zijn kroost verdedigt, kijkt moeder stomverbaasd naar wat er dan gebeurt. De wielrenners rijden naar het pre-historische graf, raken één van de stenen aan, of liever, aaien er even overheen, en rijden verder. Bij dat aaien blijft mijn duim net achter een uitstekend stukje steen steken: pats een bloedblaar, net aan de binnenkant.

DSC_0164.JPG

Weapon of choice (m’n TT, race en stadsfiets bleken minder geschikt)

Zo gaat dat dus bij alle hunebedden. Stuk voor stuk. Heenfietsen, aaien, verder. Daartussen ligt rul zand, grasland, soms een keiweg, soms een gravelpad. Het terrein glooit, rolt, is vlak, bestaat uit zandvlaktes. Er doen zo’n vijfendertig mensen mee. Ik zit even in het kopgroepje, dat ik moet laten gaan, waarna we langzaam iedereen weer oppikken. Het grootste deel van de dag rijd ik rond de tweede plek, net achter Onno Reijnhout – de beste MTB’er uit de regio. De laatste finisher komt na anderhalve dag aan.

Bij vier vooraf gemelde hunebedden (op de uiterste hoeken van het parcours) moet je je tijd doorgeven per app, en met een foto op facebook/instagram: de checkpoints. Daarnaast zijn er een onbekend aantal geheime checkpoints, te herkennen aan een slim aangebracht teken.

Als ik na 230 zware kilometers, om 10 uur ‘s avonds, als de nacht valt, bij CP3 aankom en een foto wil maken, merk ik dat ik mijn telefoon kwijt ben. Twee uur eerder ben ik gevallen, toen moet dat zijn gebeurd.
Ik sta voor de keuze: ga ik door, zonder uitslag (want ik kan niet meer aan de voorwaarden voldoen), door de nacht, de tocht afmaken? Of vind ik dat te gevaarlijk. Ik reik naar mijn telefoon om met mijn vriendin te bellen en te overleggen. Dat werkt dus niet. Hoe ver is het naar mijn huis, denk ik, als ik me voorneem op google-maps te kijken. Ook dat werkt niet. Ik besluit een laatste foto te maken en naar huis te gaan, mijn avontuur zit erop. Alleen die foto maak ik niet, want ik heb geen telefoon.

Wat een avontuur. Ik wil weer zoiets doen, maar beter voorbereid, beter doordacht, met andere schoenen, en een ander zadel(!!!!) en zonder mijn telefoon te verliezen. Maar niet vannacht, vannacht slaap ik thuis.

Kudo’s aan iedereen die het wel afgemaakt heeft! En kudo’s aan iedereen die begonnen is: jullie zijn allemaal helden.

IMG-20190602-WA0045

Bij de start

Berlin bei Nacht

Thomas is een kleine, beetje gedrongen man. Hij heeft een vrolijke blik, kan goed vertellen en is ontzettend aardig. Het is een man die tijd voor je maakt, ook al is het midden in de nacht. Daarnaast is Thomas een van de betere bikepackers van Europa en professioneel fietskoerier. En ik moet nu zijn wiel houden, anders ben ik verloren midden in Berlijn. Gaan, gaan, GAAN!!!

Voor me zie ik twee rode lampjes, achterop de fiets van Billy en van mijn nieuwe beste vriend Thomas. Het is ongeveer middernacht. Berlijn is redelijk verkeersluw, maar het uitgaanspubliek is volop aanwezig. Het heeft iets ongelooflijk betoverends. Keihard racen door de nacht in een grote stad. Maar vandaag is extra bijzonder.

Berlijn is dus gehaald, het einde van ns bikepack-avontuur. We hebben net een pizza gehad en een paar biertjes. Nadat we eerder op de avond al bruschetta/pasta/ijs naar binnen hadden gewerkt. Als je in drie dagen een kleine 25 uur fietst kan je eten wat er maar in je buurt komt. De laatste pizza (een van de beste die ik ooit geproefd heb) kregen we bij een punk-pizzeria. NoFX had een tekening op de muur gezet, er hing een poster van Sonic Youth en het behang was gemaakt van lphoezen van classic platen. Maar de wc was super net, en schoon. Een soort pizza hemel.

Billy kent hier mensen, Wiebke en Thomas. Zij vertellen over fietsen in Berlijn, over tochten dwars door Europa en over toeristen. Om 11 uur gaat Wiebke naar huis en neemt Thomas ons mee. Even langs de highlights. Het is voor hem toch onderweg naar huis.

Van Oost- naar West-Berlijn. Eat your heart out, vogels. Unter den Linden, deutsches historisches Museum, moderne kunst in de straat, het Holocaust monument, maar ook de verstopte plek van de Hitler Bunker, langs de Muur, over de muur, omdat er brood ligt soms bij de Gedächtniskirche, soms op het Alexanderplein. Maar die laatste slaan we over, want we zijn terug bij het hotel.

“Für mich gibt es kein rote Ampel”, vertelt Thomas. Rood licht? Dat is zijn tijd. Maar vandaag stopt hij, want hij heeft twee toeristen mee. Van alles toeren en rondleidingen in grote steden, was dit de meest indrukwekkende die ik heb gehad. Na een lange tocht dwars door Duitsland konden deze 20 kilometer dwars door Berlijn er makkelijk bij.

Bikepacking – The Essentials

Ik ben dus op een drie-daagse bikepacking trip naar Berlijn, met Billy Bronco. Om te kunnen bikepacken is Billy superhandig, want hij maakt grotendeels fabelachtige routes. Een goede fiets is handig. En speciale fietstasjes waar je fietsmeuk in kwijt kan is onmisbaar. Maar dat is niet echt essentieel – dat is allemaal logisch. Essentieel zijn maar 2 dingen: een creditcard en een onderbroek.

Ik zou zeggen een schone onderbroek, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ‘schoon’ alleen de eerste dag waar is. En een creditcard zonder krediet lijkt me een onmogelijkheid, dus ook dat is een nutteloze toevoeging.

Vandaag ging het als volgt: we stonden op, probeerden zoveel mogelijk van het ontbijtbuffet naar binnen te proppen, sprongen op onze fiets en keken elkaar aan met de vraag: hoe zijn de beentjes? Prima dus.

(Zweite Früstuck)

We hadden iedere dag 200km gepland en gister bijna 250 gereden. Dat zijn – aldus Bronco – bijna 50 karmakilometers. Vandaag hoefden we dus maar 150.

Ergens rond de 120 kwamen we in het voormalige Oost-Duitsland. Dat kan prima over de weg, maar het plan van deze tocht is om dat niet te doen. We fietsen onverhard, over eeuwenoude wegen, aangelegd voor keizers en koningen en shit.

Nou ja, van die wegen die door de communisten allemaal zijn weggehaald. En daar is verrekt weinig voor terug gekomen. Wij moesten dus door metershoge brandnetels (check de foto) half door een sloot, langs een koe met kalveren, en om een boerderij met een hek met schrikdraad. Om in Oost-Duitsland te komen dus. En daar lagen al die oude wegen nog wel. Dus wat volgde was ongeveer 100km over kasseien en ontzettend oude zandpaden.

Op een van die zandpaden ging ik onderuit, kreeg een knal op m’n kuit (daar zit een i in, Berry). Na lang zoeken vonden we een tentje waar we voor 7 euro twee broodjes en twee Coca Cola kregen. 7 contante euro’s.

Maar aan het einde van de dag, na 235 km (35 karmakilometers!) vonden we een prachtig hotel op steenworp van de Elbe. Dat hotel kon ik betalen met m’n creditcard. En daar heb ik m’n fietsbroek gewassen in de gootsteen. Dus nu zit ik in m’n onderbroek een blog te schrijven. Zie je, de Essentials. En Billy? Die kijkt een Duitse SpongeBob SquarePants. Echt waar.

Morgen de laatste etappe.

Gravel

Mijn favoriete tennis Grand Slam is Wimbledon. Maar dat is alleen maar zo, omdat ik dat echt vind. Als ik invloed had op wat ik vind en voel, dan zou het Roland Garros zijn. Waarom? Omdat ze daar op gravel spelen.

Het blijkt namelijk dat mijn beachracer uitstekend geschikt is voor gravel. Nee, dat betekent niet dat ik de leden van de lokale tennisclub het leven zuur maak. Wel dat alle wegen die niet standaard verharde wegen game zijn. Voor mij als tijdrijder/roadie is alles wat geen asfalt is bijzonder.

Maar goed, na een paar ritjes op het strand, een paar verkenningen door het Glimmense bos en wat scheuren over Drentse zandpaden wil je meer. En daar ben ik niet alleen in, ik heb een standaard partner in crime als het groter en gekker moet: Billy Bronco (zo heet ie dus echt).

En laat Billy nou net al zijn spaargeld geïnvesteerd te hebben in een fantastische gravelfiets. Het plan was dus snel geboren: we wilden in de zomer een paar dagen zo lang en zo ver mogelijk over zo veel mogelijke onverharde wegen fietsen. Nu nog een goal en klaar is Klara.

Rome, Barcelona leken gaaf, maar niet echt realistisch in een lang weekend. Budapest mochten we niet over praten. Wenen waren we al een keer geweest. Bleven over: Parijs en Berlijn. Omdat Parijs met Roland Garros al een hoop gravel heeft en omdat Billy een ongelooflijk hippe gozer is, werd het Berlijn.

Nu, na de eerste dag en na 9 uur fietsen, zitten de eerste 240km erop. We overwegen om volgas door te fietsen naar de Poolse grens, als we eenmaal in Berlijn zijn. Berlijn is namelijk nog maar 350km en we hebben nog twee hele dagen.

We liggen ergens midden in Duitsland op een hotelkamer chips, nootjes en yoghurt te vreten. Morgenochtend om 7 uur gaat de tocht verder.

André, Bert, Arjen en Matthijs

André was de secretaris van onze wielerclub. Dat deed hij zo goed, dat op een gegeven moment niemand zich nog voor kon stellen dat de club bestond, zonder André. Toen ging hij zich maar weer focussen op het fietsen zelf. De club is er nog en André fietst nog steeds.

Een paar jaar geleden reed hij de Tour de Kärnten en deed daar verslag van op het forum van onze club. Ik was direct verkocht. Het leek me de ideale meerdaagse voor mij: twee tijdritten, korte etappes, en felle klimmen. Na zes dagen koersen weet ik waar ik sta: als ik geen pech had gehad was ik rond plek 50 geeindigd, nu is het top 187. En beide is prima. Ik ben fysiek helemaal op, maar geestelijk opgeladen. Voor het eerst in tijden kijk ik er naar uit om allerlei dingen aan te pakken.

Naast me zit Bert, die alles rijdt op brood. Die reed vandaag in 50 minuten een berg op, daarmee werd hij 5e in de etappe. En dat is fucking knap. Bert bleef in de buurt van allerlei bewezen dopingpakkers (bewezen, want ze hebben schorsingen achter hun naam. En ja, dat is soms een beetje frustrerend, maar ook heel sneu van de winnaars van dit soort evenementen). Daarnaast bleef hij een heel pak tot op het bot gemotiveerde amateurs voor.

Als Bert en André samen een berg oprijden, gaat dat niet ongemerkt voorbij. Zo reden ze jaren geleden een keer de Alpe d’Huez op. Google stuurde direct een auto om het vast te leggen en publiceerde het verslag op Google-street-view. Hoezo stoer!? Eigenlijk verwacht ik dat ze hun beeltenis nu ook in de Streetview van de Villacher Alpenstrasse gaan plakken. Want c’mon. Dit zijn wel André en Bert.

Tegenover me zit Arjen. Al jaren mijn vaste fietsmaatje. We hebben samen heel Europa gezien, talloze bergen opgereden en allerlei cyclo’s, tochten en koersjes gefietst. Arjen is top 107 gefinisht. Daar baalt hij van, want het is net geen top 100 of top 98 ofzo. En balen, dat kan Arjen goed. Drukke baan, lieve vrouw, een hele trits kinderen. En Arjen komt nog steeds hoger dan ik in de einduitslag. Ik vind het klasse.

Matthijs, onze coureur, heeft zojuist een biertje opengetrokken. Volgens mij de eerste van deze week. Matthijs wordt 11e in de einduitslag. Daar doet ie zo supernonchalant over, dat ik een beetje jaloers ben. Als echte wielrenner heeft ie altijd ergens een wielren-item aan. Een jasje, een shirtje, een sok, of zelfs een paar sokken. Matthijs heeft het allemaal al gezien. Oost-Europa, Frankrijk, België, Nederlandse klassiekers, alles al gereden.

Dankzij Matthijs weet ik dat een echte wielrenner iets meer kan dan ik. Dankzij Bert weet ik dat je wel kan dromen van een goede uitslag. Dankzij Arjen ga ik ieder jaar, ergens op fietsavontuur. En dankzij André was het dit jaar in Oostenrijk. Thanks dus.

(Featured image: een screengrab van Bert (voorop) en André (daarachter) op de Alpe, via Google Maps).

 

Supersnel

Stel je bent op de fiets onderweg naar de trein, je kijkt op je horloge en je ziet dat je nog vijf minuten hebt voor vertrek. En je hebt nog minstens vier minuten fietsen, je moet je fiets nog in een rek parkeren en inchecken. Dat kan precies, als je nu volgas gaat. En dat doe je. Het gevoel dat je na twee minuten hebt, kan je je dat voor de geest halen? Houd dat even vast. Denk ook even aan een stoplicht dat net op rood springt als jij eraan komt crossen. Tijd om te wachten heb je niet. Houd dat gevoel ook even vast.

Vandaag gaan we van start in de laatste rit in lijn. Bert (Broodje) staat stevig in de top 8, Matthijs (de Blonde Motor) heeft een veilig plekje in de top 14, Veenstra (andere Arjen) staat precies 100 plekken lager in de top 114. En we staan alle vier in de top 221. Dit willen we dus graag verdedigen, of verbeteren.

Daarvoor moeten we vandaag als dwazen koersen. Het gaat echt heel hard over de rechterbaan van een autoweg, naar een eerste “klim”. Die is zo laf, dat we hem met ongeveer 40 p/u (echt met 40 p/u dus, dit is geen hyperbool, voor een keertje) opstuiven. Ondertussen ontwijken we straatmeubilair, tegemoetkomend verkeer, dikke renners die het tempo niet kunnen volgen en het snot van onze voorgangers.

Ik start weer lekker achteraan en probeer dus door een peloton dat hier mee bezig is, mijn weg naar voren te vinden. Dat lukt een aardig. Na 50 kilometer komen we bij de volgende klim en daar spat alles uit elkaar. Maar daarna gaan we allemaal lekker door met zo snel mogelijk, zo veel mogelijk kilometers af te leggen. De hele dag gaat het snoeihard. Ik snap dat dit de essentie van wielrennen is, maar soms gaat het harder dan anders. Zo’n dag is het vandaag. Na dik 2.5 uur, hebben we de kleine 100 km afgelegd die voor ons op het menu stonden. De top 221 is verdedigd, daar staan we allemaal nog in, we zijn als groep zelfs geklommen naar de top 198. We zijn blij.

Stel je nu eens voor dat je sprint voor je trein, en op het laatste moment door rood schiet. Als de essentie van wielrennen zo snel mogelijk van A naar B komen is, dan is dit het gevoel dat er bij hoort. De hele dag, maximaal geven, zo hard je kan, zo slim je kan. Na vijf dagen, met relatief korte etappes, zijn we alle vier kapot. En morgen? Dan mogen we een echte Alp op, in een ‘bergtijdrit’. Die laatste minuut, voordat je bij het station bent. Dat doen we morgen, een klein uurtje. Gek genoeg heb ik er wel zin in.

Wij zijn wielrenners, ja!

De caissière bij de supermarkt Billa (van billig) in Bodensdorf, in Kärnten, kijkt me een beetje onhandig lachend aan. Ik koop maar één item: een zak met 12 rollen wc-papier.

Tot dusverre komen we hier iedere dag. De Billa ligt op 1 minuut lopen van ons gehuurde appartement. En de caissière kent me inmiddels een beetje. Het lijstje van dingen die we kopen is vrij beperkt: bananen, yoghurt, brood, pasta, wat groente, winegums (in alle soorten en maten). En we zijn inmiddels aan onze tweede grote pot Nutalla toe. Fuck Marginal Gains.

En nu was het wc-papier dus weer op.

Mocht het niet duidelijk zijn omdat we allemaal een hologig, ingevallen gezicht hebben, omdat onder onze korte broeken hoge sokken en geschoren benen steken, omdat we stram lopen, omdat we verslaafd lijken aan pasta en bananen, dan is het wel duidelijk nu ik met deze grote zak wc-papier terug sjok: wij zijn wielrenners, ja!

Last Chance Saloon

Meerdaagse cyclo’s – zo heten de evenementen als de Tour de Kärnten – zijn een bijzondere afdeling van de wielersport. Het zijn geen gewone wielerwedstrijdjes, zoals misschen door je straat of je woonplaats komen. Tenzij je ergens in de bergen woont, natuurlijk.

Deelnemers aan dit soort wedstrijden hebben eigenlijk een ding gemeen: ze zijn allemaal op zoek naar een tweede kans. Dat kan op allerlei manieren. Ons clubje heeft een honkballer die wat fitter wilde worden (Bertje), een voetballer met een kapotte knie (Andere Arjen), een waterpoloër die stopte met roken en drinken (je zou het niet zeggen als je me vergelijkt met de sterren van de sport, maar ooit heb ik gewaterpolood) en een elite renner die op zoek is naar plezier in wielrennen (de Blonde Motor, dus).

We trainen te veel, zijn allemaal graatmager, en identificeren onszelf als wielrenners. De enige die dat ook echt is, is Matthijs. Dat laat hij zien met een bepaalde nonchalance. Z’n windjack wappert, hij staat makkelijk op de pedalen, hij kwakt zijn fiets door de bocht. Een echte renner. Daar zijn er hier niet veel van.

Vrijwel iedereen hier is een spijtoptant. Had eerder willen beginnen, of vroeger langer willen doortrainen, of ooit begonnen in een andere sport. Ik sprak eergisteren met de Bart uit Meerbeeke, die ooit aan atletiek deed. Er fietsen ex-profs mee, die toch weer wat willen doen. Er zijn artsen, leraren en waarschijnlijk kunstenaars. Wat ze verder gemeen hebben? Ze hebben allemaal de droom om te winnen in de bergen. Om erachter te komen, of ze toch niet eigenlijk een echte wielrenner zijn.

Omdat ik gister niet gefinished ben, sta ik nu drie startvakken naar achter, en ben ik gekelderd van de 24e naar de 276e plek. Gister stond ik bij de start vooraan, nu krabbel ik ergens in het midden van een enorm peloton. Ik kijk om me heen en doop deze groep de Last Chance Saloon. Wilco, een clubgenoot, wijst o.a. de leider in het 65+-klassement aan en de top vijf in het 50+ klassement. Voor alle deelnemers is er wel een klassementje om je ballen ervoor af te draaien. Zo blijven voor iedereen dromen in zicht.

Vandaag heb ik eindelijk goede benen, weet me razendsnel naar voren te fietsen en stuif bij de eerste 50 de eerste berg op. Tegen het einde van de koers begint het te regenen. Waarschijnlijk ben ik de enige die daar blij mee is. De laatste berg fiets ik fluitend op. Handjes op het stuur. Lachend in de regen. Mijn 56e plek van de dag levert me geen prijsje op in een gek klassement, maar plezier heb ik wel.

(Afbeelding: gister stond ik bij de blauwe boog, nu sta ik hier).

Ruiter te voet

Het gaat best goed. Ik zat mooi vooraan in de neutralisatie, reed de Blonde Motor naar voren aan de voet van de eerste klim en begin m’n klimmersbenen te vinden. Ik ben op kilometer 85 van de 120. De weg gaat echt steil omhoog, het tempo ligt laag, maar ik zit nog in m’n groep. Ik schakel terug om op m’n pedalen te gaan staan en gas te geven. We zijn bijna bij de top.

Krak.

‘Oh, dat is wel niet goed’, hoor ik Churandy in mijn hoofd zeggen.

Ik sta direct stil en kijk naar m’n achterwiel. Derailleurpadje gebroken. Einde koers. Einde Tour de Kärnten. Einde ambitie.

Ik vloek. En nog een keer. Pak m’n fiets op mijn schouder en loop de berg af, waar ik net tegenop gereden ben. Onderaan staat Annelies, een Amerikaanse-Duitse, met een Nederlandse moeder. Dat weet ik allemaal, want we zijn even tot elkaar veroordeeld. Annelies brengt me namelijk naar de finish.

Ze is jarenlang biatleet geweest. World Cups gedaan, meervoudig Amerikaans kampioen, Olympische Spelen, alles. Ze is hier om haar vriend te ondersteunen. Bidon aangegeven, kleding klaar hebben. Ik mag haar fiets lenen, maar dat lijkt me geen goed idee. Annelies is een paar koppen kleiner dan ik.

Om m’n gedachten af te leiden vraag ik wat de prestatie is, waar ze het meest trots op is. In 2010 miste ze de Olympische Spelen op een haar, maar ze ging door en werd een jaar later Amerikaans kampioen en mocht naar de WK en de World Cups. Ik beschouw mijn eigen situatie nog een keer en besluit dat het allemaal minder erg is, dan ik denk. Thanks for the ride, Annelies.

Ze brengt me keurig naar de finish. Waar ik afscheid neem, sip en een beetje stilletjes. Terwijl ik normaal zo’n lollige gozer ben!

Met wat onderdelen van mijn tijdritfiets en een reserve onderdeel dat ik altijd overal mee naartoe neem (een PADJE neem dat mee!) weet Bertje (ook handig om bij je te hebben) mijn fiets te fiksen. Morgen start ik niet vooraan, maar in het allerlaatste vak. Ik sta niet meer op de zoveel-en-twintigste plek, maar heb geen klassering meer.

Morgen ga fietsen tussen de toerders. Eens kijken of ik daar ook bij vandaan kan demarreren.

Ontsnappen aan alles

De weg voor me is nagenoeg leeg. Er rijdt een rode auto en daarvoor een motor. Het is lekker weer. Niet warm, niet koud, er viel net een drupje regen en daardoor is de lucht zuurstofrijk. En er staat heel zacht briesje. Dat briesje moet ik wel mee hebben, want ik rijd 50 km/u.

Ik buig me over m’n stuur en kijk nog een keertje om me heen. Een mooie bergweide, de weg kronkelt bij me vandaan. Het is hier prachtig fietsen. Als ik over mijn schouder kijk zie ik een groot peloton wielrenners op me af komen. Die lijken helemaal niet zo sereen en blij als ik. Mijn snelheid zakt naar 43, maar m’n hartslag blijft stijgen. De weg zal wel omhoog lopen. Ik zou dit soort dingen niet moeten doen. Toch zet ik nog een keer aan.

Een paar minuten geleden had ik mijn meest wielren-achtige-actie ooit. We rijden de tweede etappe van de Tour de Kärnten. Na 35km zit een klim, daarna gaat het op-en-af naar de finish. Die ligt op 105km. De eerste 25km zit ik opgesloten in een peloton van een paar honderd renners en daar ben ik wel wat klaar mee. Het is eng, gaat hard en niet iedereen kan even goed sturen.

Dus op een brede weg ga ik op de pedalen staan en rijd vol gas naar voren. Dat gaat makkelijker dan ik verwacht. En als ik vooraan aankom, besluit ik door te knallen. Nu ontsnappen betekent dat ik aan de voet van de klim vooraan zit.

En juist op dat moment rijden we een licht buitje in. De weg ligt glimmend voor ons. En dan draait het parcours scherp naar rechts. Alleen op kop pak ik de ideale lijn. Het peloton doet dat niet.

Achter me hoor ik gekletter van wielen en krakend carbon. Als ik over mijn schouder krijg zie ik onze kopman Matthijs naast z’n fiets staan, temidden van een man of vijf gevallen renners: de kop van het peloton.

Dan komt de echte wielrenner in mij boven. Ik twijfel niet, maar geef echt gas en ben weg.

De achtervolging komt sneller op gang dan me lief is. Niemand steekt naar me over. Maar ik slaag in mijn opzet en draai als vijfde de berg op!

Daar moet ik mijn inspanningen direct terug betalen. Links en rechts fietst iedereen me voorbij.

Uiteindelijk kom ik met Bert en Matthijs in het peloton terecht. Bij de finish zien we juist de tweede groep finishen. Daarin rijdt Arjen naar een vijfde plek. Met power en overtuiging knalt hij het steile weggetje op, waar boven een lijn voor ons getrokken is. Hij ziet er echt uit als een specialistje bij dit soort aankomsten. Zo doe je dat dus.

Met Matthijs gaat alles goed, Bert verliest een paar plekjes in het klassement, ik ook. Arjen wint plaatsen. We zijn echt onderweg! Op naar etappe 3.

Einzelzeitfahren

We zitten in een appartement aan de Ossiacher See, midden tussen de bergen. De komende dagen gaan we die beklimmen in koers, vandaag stond een tijdrit rond onze ‘See’ op het programma.

Dat klinkt vlak, maar hier is niets echt vlak. Trouwens als je tijdrijdt zijn bruggen pijnlijk, dus 30m hoogteverschil telt als iets van de 1e categorie ofzo.

Ik word vandaag gesandwicht. Voor me start Matthijs, De Blonde Motor. Hij heet zo, omdat hij hard kan fietsen en omdat hij blond is. Matthijs is elite en fietst dus eigenlijk een niveautje hoger dan ik. Het rottige is dat tijdrijden mijn specialiteit is. En omdat de voorsprong van Matthijs een half minuutje is, moet ik hem eigenlijk inhalen.

Achter mij start Bert, Broodje, Smilda. Bert heet zo omdat je hem eigenlijk nooit zonder boterham aantreft, behalve als hij aan het tijdrijden is. Dat kan hij nogal goed, zo goed dat de 2.5 minuten die hij achter me start mogelijk te overbruggen zijn.

Mij staat de volgende opdracht te wachten: De Blonde Motor inhalen en Broodje achter me laten.

Halverwege de tijdrit – dat klinkt alsof ik een blokje om ben, maar denk je het volgende in: na dik 20 minuten zo hard fietsen als je kan, je hoofd staat op ontploffen, je benen doen pijn, er zit kwijl over mijn hele gezicht, in m’n helm (wtf), op m’n supersonische tijdritfiets en eigenlijk wil ik stoppen. Nou ja, halverwege haal ik Matthijs in. Die 10 minuten later mij weer voorbij scheurt.

Vanaf dan probeer ik hem in zicht te houden. Alles doet zeer, ik word een beetje misselijk, ik kijk scheel en dan, dan begint het te regenen. Een brede glimlach breekt door op mijn gezicht, ik kan weer gas geven, maak zelfs een beetje goed op de Blonde Motor.

De regen zet niet door, maar mijn herstel wel. 20 seconden achter Matthijs kom ik over de meet, dat betekent dat ik 10 seconden op hem gewonnen heb. Kwijlend en kuchend neem ik een splets water uit m’n bidon. Die komt redelijk in de buurt van m’n gezicht. Ik kan nog 6 km/u fietsen. Echt alles gegeven.

Dan hoor ik naast me: zo fuck hee, dat was zwaar. Bert heeft bijna de 2.5 minuten op me goed gemaakt. Maar niet helemaal.

Ik word 21e. Broodje pakt een 6e plek, Matthijs weet de schade te beperken. Morgen is een berg uit de route gehaald, waardoor de etappe best vlak is (maar goed, niets is hier echt vlak). Dat hebben wij en troef voor: Andere Arjen. Die heeft er zin in.

De foto boven deze blog is het meer waar we vandaag omheen getoerd hebben.

Baustelle

Wir fahr’n fahr’n fahr’n auf der Autobahn.

Het hele Duitse taalgebied kenmerkt zich door autowegen. Lange rechte stukken asfalt, waar je steady met een hoge snelheid overheen zoemt. Het beroemde Kraftwerk deuntje in je hoofd. Handen door het stuur. En gas. Het is het kenmerk van deze dag.

Vor uns liegt ein weites Tal
Die Sonne scheint mit Glitzerstrahl

We zijn onderweg naar Oostenrijk, naar Kärnten, tegen de grens met Slovenië en Italië. We hebben de reis opgeknipt in twee etappes. De eerste moet ons tot aan de Duits/Oostenrijkse grens brengen, de tweede naar het appartement. Daar zitten we met vier jongens, om een meerdaagse wielerkoers te rijden. Zes dagen koersen in de bergen. Een beetje zenuwachtig kijk in door m’n stuur over de Autobahn. We fahr’n verder.

Die Fahrbahn ist ein graues Band
Weisse Streifen, gruener Rand

Maar er is iets mis. Terwijl ik met Bertje, mijn reisgenoot, de komende etappes bespreek, wattages doorneem die we gaan trappen, we stijgingspercentages van bergen opsommen, oude sterke koersverhalen ophangen, loopt het liedje van Kraftwerk uit de pas. Want de weg is niet grijs met wit en groen. Overal staan rode borden, gele strepen op de weg, knipperende lichten. En je mag steeds maar 50 rijden. Dit is niet fahr’n! Dit is kut.

Jetzt schalten wir ja das Radio an
Aus dem Lautsprecher klingt es dann:
Wir fah’rn auf der Autobahn

Maar we rijden door. Naar Oostenrijk. En van ellende stoppen we niet, maar gaan we plankgas naar Kärnten. Daar komen we midden in de nacht aan. De Autobahn ligt achter ons, we gaan een weekje plezier hebben in de bergen.

Het menu: 1 tijdrit van 40 km, 1 redelijk fatsoenlijke bergrit, 2 idioot zware bergritten, 1 belachelijk zware bergrit, en als klap op de vuurpijl een klimtijdrit van 16 km a 7%. Fahr’n in de bergen! Van mij mag het beginnen en ik doe hier verslag hoe Matthijs, Bertje, een andere Arjen en ik het er van brengen.

Canyon Commuter: the worst bike I ever had

Are you considering buying a Canyon Commuter? Think again.

I’m Dutch and as such I’ve been riding bikes for as long as I can remember. Today I consider myself an enthusiast: I own four bikes that I use on a regular basis. A road racer, a TT bike, an off road bike and a commuter. I make most kilometers on my racer, more than 10.000 per year. But I also use the other bikes, together they add up to another 10.000k.

For my daily commute I had a steel, belt-driven VSF. A bike that combined the comfort of tradition (steel) with the perks of modern technique (belt). After four years of loyal service someone stole it, a few days before Christmas, leaving me heartbroken. I decided to splash out on a new, fancy, in-your-face, state-of-the-art, expensive, new Canyon.

The thing with Canyon is, you cannot buy a Canyon in a store, but you can only order them online. It is one of the fastest growing cycling brands in the world. They make cool stuff, sponsor cool cyclists, are relatively cheap and have strong branding.3

My eye fell on the Commuter 7.0, which had the hefty price tag of €1.999,-. I got some discount, but also had to pay for transport, for €1.850,- the bike was mine. It arrived in the Christmas holidays, one year ago. My first proper ride was on the first day of 2017. I was over the moon. It was the best looking commuter I had ever seen. And so thought a lot of people. I’ve never had so many compliments on a bike, and this is the cheapest ride I currently have. Sounds like a good deal, no?

No.

4

Review:

The Canyon Commuter is a slow bike. On average this lightweight ‘commuter’ took me to and from work more than a km/h slower than my previous, heavy weight, steel VSF. (Even though my race results from last year were better than the year before: I was fitter).

It is also a very nervous bike. Handling often feels clumsy. You can use it for real urban riding, like going up or down stairs and curbs, or taking very short corners. But most of my daily 19 km commute is a straight road, where the uncomfortable ride (the bike is way too stiff) doesn’t add to ride satisfaction. It takes concentration to ride without holding the handlebars. That shouldn’t be the case with a commuter.

After a year I had two flats and one pedal is crooked – which seems fair. More serious was that from time to time the lights stopped working. When the rain really pours down (so when you really need lights) the contacts get wet, leaving you without functioning visibility. On those days you are left with mudguards that don’t really work either. They look great, but you get wet feet and wet trousers.

One of the things that really bugged me was the paint job. Whenever I place the Canyon against something metal (like a cycling rack) or when a metal object (like another bike) is placed against it, the paint comes off. I contacted Canyon over this, their explanation was that this bike has a very thin layer of paint and I should be more careful. Why would you put a thin layer of paint on a commuter!?! This is thing for everyday use, it is NOT a weightweenie climber’s bike, where every gram counts. It leaves me with a bike which is dented in many places. Oh, if I want to repair that: Canyon used a very rare colour, good luck finding some fucking paint to match (I failed).

DSC_0625

Innovative as they are, Canyon made it impossible to unscrew the wheels or the saddle, without turning the bike upside down. It seems like a great trick, protecting your bike from getting its wheels or its saddle stolen. In real life it’s annoying, and makes everything very fragile. I busted a saddle post clamp (without trying), which had to be replaced for 18 euro’s. It works on paper, but in real life it’s costy.

After riding on it for a year the belt broke down. Of course when I was some 4 km from home, and 5 from work, in the rain, when I had an appointment. The drivetrain was supposed to be ‘a more durable, practically maintenance-free drivetrain’. You get a six year warranty on the bike, but on this durable part there is only a two year warranty. Mine was busted after one year, and after an estimated 4.000km. Whatever it is, that’s not durable.

DSC_0715 (1).JPG

At Canyon’s request I had the bike shipped back to them. ‘We’ve never seen anything like it’, they claimed. But after studying it for two weeks they refuse to replace it under the warranty. At first I had too much ‘mileage’. When I asked what an acceptable mileage was, it was due to the way I had used the bike. After some twenty mail this is what I conclude: my warranty expired because the belt broke down. Belts don’t break down, so it has to be my fault, according to Canyon. I don’t think that’s how warranty works.

Oh, and actually I should pay for shipping the bike back to them, since this was not a warranty thing.

I have owned over thirty bikes in my life. Some were ok, others were brilliant. I’ve never had so much issues with a bike, as I’ve had with this one. But that can all just be bad luck. However, even when it all comes down to fortune: this bike rides bad. I could have forgiven all the problems, if it rode like my previous bike. I guess Canyon still has a lot of work to do, before their marketing claims match the product they make.

Pro’s:

  • Looks great
  • Light weight
  • Some good parts

Cons:

  • Very poor ride quality
  • Slow, so slow
  • Vulnerable paint job
  • Bad mud guards
  • ‘Innovative design’ of wheel and saddle clamps
  • Lights stop working in the rain
  • Too stiff

 

 

Strandracen

Langzaam verlies ik het wiel voor me. Ik bijt op mijn tanden. Zand knarst tussen mijn kiezen. Ik geef nog een keer gas. Het gaat bijna 50 km/u. Ik trap met een idioot hoge frequentie. Eigenlijk kan ik niet harder. En dat wiel komt niet dichterbij. Vooraan gaat iemand nog een keer op de pedalen staan. Ik zal hier godverdomme niet nu de strijd al staken. Het kleine pelotonnetje zwenkt naar rechts.

Als een kudde losgeslagen koeien denderen we op de duinen af. De strandopgang. Ik zeg ‘we’, maar eigenlijk bedoel ik ‘zij’. Want ik hang aan het elastiek.

In de duinen (we komen van het strand) haal ik tot mijn stomme verbazing wat renners in. Vol gas stuif ik over de betonplaten. Er valt een renner die een bochtje af wil snijden. Ik voel dat er iemand in mijn wiel komt. We gaan terug het strand op. De wind staat mee. Door het mulle zand, terug naar de vloedlijn, waar de zee het land ontmoet. Daar komen we met zes man samen. Kop over kop racen we richting Scheveningen.

Ik rijd een ‘Strandrace‘, die gaan (surprise surprise) over het strand. Daarvoor heb ik een speciale fiets gekocht (well done, fietsenindustrie). Iets dat het midden houdt tussen een racefiets, een MTB en een Cyclocrosser. Er zitten dikke banden op, zonder profiel. Daar zit heel erg weinig lucht in (voor de kenners, tussen de 0.8 tot 1.0 bar). Er zit een racestuur op, maar de handvatten staan naar buiten. En de fiets heeft maar 1 voorblad. Normaal is dat genoeg, alleen niet als het meer dan ongeveer 47 km p/u gaat. Dan kan je eigenlijk niet meer bijtrappen. En dat had ik zonet.

We zijn gestart in ‘s Gravensande, reden naar de Hoek van Holland, omgekeerd naar Scheveningen, vandaar weer terug naar Hoek van Holland, dan weer terug naar ‘s Gravensande. Als een jaknikker, of een heel erg langzame naald op een naaimachine. De wind is zuid. En hard. Heel hard. Dus wij gaan hard.

WMTBBC-PARCOURS-POSTER-2017

Aan de waterkant doemt een grote man op. Dat de man is echt heel groot is, blijkt een paar ogenblikken later belangrijk. Hij schreeuwt en zwaait woest met z’n armen. De renner voor me knijpt plotseling in de remmen. In een flits zie ik een hond, de oorzaak van de paniek. Het beest rent op ons af. Knalt tegen de renner rechts van me en maakt een salto. De grote man staat links en is boos. Hij haalt uit, naar mij.

Ik krijg een doffe dreun op mijn schouder. Even ben ik bang dat ik mijn evenwicht verlies. Maar het gaat goed. Over mijn schouder zie ik dat de grote man blijft staan. Ik denk maar een ding: niet meer omkijken, doorrijden. Dat doen we. Met z’n zessen.

Op de terugweg vallen drie man in mijn groepje. Het strand wordt langzaam droog, het zand wordt losser, de strijd harder. We keren en draaien nog een keer. We scheuren voor de laatste keer naar ‘s Gravensande. Ik word 28e. En daar ben ik best blij mee. De wind, de zee, het avontuur, dat maakt het gewoon gaaf.

Heel eerlijk: ik weet niet hoe het met de hond is. En mijn bovenarm is een beetje blauw. Maar als ik morgen weer een strandrace mag rijden? Dan ga ik. Ook al woon ik in Groningen.

(Featured image gemaakt door http://www.sportkiek.nl)

HELP verslaafd!

Ik sta ergens midden tussen de weilanden, op een doodlopende onverharde weg. Dat zou niet gek zijn wanneer ik als echte Friese jongen aan het kievitseierenzoeken (ljipaaisykjen) was. Met een plosstok over mijn schouder en een pet op m’n kop, met in de voering daarvan twee illegaal geraapte kievitseieren. Maar Fries als ik ben (en hoewel ik het als jongentje ontzettend geprobeerd heb): ik heb nog nooit een kievitsei gevonden. Daarnaast is het november en heb ik een carbon-racefiets bij me. WAT DE FUCK IS HIER MIS GEGAAN?

Martijn Hendriks, dat is wat er is mis gegaan. Werkt voor Studio Sport (wie wil dat niet), doet allemaal interessante dingen, maar daarnaast is ie ook een wielrenner en vooral, daar blogt ie af en toe over. Dit voorjaar was dat een hit op social media, toen hij met een stel echte wielrenners (ex-profs) alle provincies in één dag aandeed. Ze begonnen bij Spaak, in Groningen en eindigden ergens in Zeeland, ofzo.

Tot zover alles goed. In de zomer schreef hij een blog over Veloviewer. Daar ben ik al jaren verslaafd aan. Al mijn Strava-ritjes gaan naar deze site, en daar wordt er echte informatie uit je ritten gehaald. Ongelofelijk veel. Eén van mijn doelen is bijvoorbeeld om een Eddington-number van 100 mijl te gaan halen. Dat zou betekenen dat ik over 100 ritten, tenminste 100 mijl (=160.93km) gereden heb. Verzonnen door Eddington. Een idee dat ook aan de basis van de gehaatte, maar veel gebruikte, H-index ligt. Wetenschappers weten waar ik het over heb. Veloviewer houdt het voor me bij.

Maar daar scheef Martijn niet over, afgelopen zomer. Hij schreef over je explorer-vierkant. Dat komt er op neer dat je een kaart maakt van de wereld, en die verdeelt in vierkantjes van 1x1km. Als je in een vierkantje bent geweest met je fiets (=met Strava aan) telt ie mee. Als je die vierkantjes aan elkaar plakt krijg je een maximaal vierkant. Toen de blog van Martijn uitkwam zat ik op 9×9. Inmiddels zit ik op 19×19. And counting.

Het idiote is: ik fiets niet meer, maar alleen anders. Het betekent namelijk vooral dat ik hokjes moet zoeken in mijn omgeving en daar in moet fietsen. That’s it. En soms is zo’n hokje moeilijk te bereiken. Moet ik over paadjes, onder hekken doorkruipen, langs loslopende honden schieten. Maar dat heb ik er voor over, want ik ben verslaafd! Mijn vierkant moet groter. Het moet, moet, moet.

Mijn koersvrienden maken me belachelijk. Vinden me een toerder. Ik ben bang dat De Buik een stuk over me gaat schrijven als ze hier achter komen. Mijn vriendin kijkt me meewarig aan als ik erover begin. Maar fuck it. Ik ben Captain Cook, ik ontdek de wereld. Ik ben James Kirk en reis door het heelal. Abel Tasman? Soulmate. Hudson? Columbus? Dat doe ik ook allemaal. Maar zonder volken uit te moorden en schatten te roven.

Op mijn carbon racefiets speel ik Indiana Jones in Groningen. Ik heb zelfs een veloviewer-klakske gekochte. En daar in de weilanden, op die doodlopende weg, ben ik volmaakt gelukkig.

Veloviewer

Zo ziet een verslaving eruit: de groei van mijn vierkant sinds augustus.

 

Kop over Kop

Als ik uitadem door mijn neus, blaas ik een grote snottebel. Omdat alles vertraagd aan me voorbij trekt – en dat is maar goed ook – zie ik die heel langzaam groeien. De bel wordt groter, tot aan de rand van het vizier van mijn tijdrithelm. Daar spat ie uit elkaar. Het snot smaakt naar Red Bull, lekker. Dat komt omdat ik zonet een half blikje achterover heb geslagen. Het heeft geholpen, denk ik. ‘Lekker afzien’, zoals dat heet. Dat betekent in dit geval dat ik te geconcentreerd ben om het snot van mijn gezicht te vegen.

De Red Bull Kop over Kop is een wedstrijd waarbij je constant op het randje balanceert. We rijden met vijf echt goede renners, die elkaar mooi aanvullen. Iedereen heeft een taak, iedereen weet die taak ook goed te vervullen. Het is steeds belangrijk dat we elkaar niet naar de kloten rijden, maar dat we toch zo hard mogelijk gaan. Meestal gaat dat goed.

Niet altijd. Als ik aansluit ben ik veel te enthousiast. Hoewel ik het gevoel heb niet heel hard te gaan, rijd ik met bijna 50 km/u op kop. Wieger en Bert, de twee renners die voor mij gestart zijn, hebben er al een behoorlijk stuk op zitten en we moeten nog 60 km. Zonder al te veel omhaal van woorden maken ze duidelijk dat ik te hard ga, maar ook te korte beurten rijd. Dat helpt, we vinden een mooi ritme.

Als Pieter 20 km verder aansluit blijven we hard door rijden. We halen een team in, dat zwaan-kleeft-aan speelt. Meer dan 30 km blijven ze bij ons in het wiel. Ook al schelden we ze uit, ze blijven aan ons plakken, als een stukje kauwgom onder je schoen. En kauwgom, dat weet iedereen, smaakt naar Red Bull. Net als mijn snot op dit moment. Ik blaas nog een bel en snuit alles over mijn schouder de wind in. Zo, hebben zij ook wat Red Bull. Het brengt hen naar de 6de plek.

Wij rijden soms niet heel goede bochten. En een keer komt de wind plots van opzij, dan maak ik een zwieper. Het gaat net goed. Tim sluit aan, het tempo gaat verder omhoog. De laatste paar kilometer gaat het gas vol open. We weten dat we er bijna zijn. We gaan hard, echt heel hard. Het voelt fantastisch. Tot we over de finish zijn. Ik knijp in mijn remmen. Klauter van mijn fiets. En val op de grond. Helemaal kapot. Echt helemaal leeg. Op de grond bedenk ik dat als we samen hadden getraind, het nog iets harder had gekund. Niet heel veel, denk ik. Een paar seconden? Misschien zelfs wel een minuutje.

2SHL5Ga_O6OHgGD3GrXA0I3R886eXbwhv7C5deJgD28-2048x1153

Vierde dus, op een paar seconden van het podium en een minuut van de eerste plek. Bert en Wieger reden vorige week samen het NCK, net als Pieter en ik. Tim reed met ons mee in tijdrittrainingen. Met Bert deed ik een koppeltijdrit. En Wieger en Pieter deden een dappere poging, om samen rondjes te fietsen.

Ik krijg nog een blikje Red Bull. Als we als ploeg samen hadden getraind? Stonden we dan verderop met een fles champagne? Geen idee. Maar we hebben iets om naar toe te werken, want ik vind Red Bull best lekker. Zelfs als het in mijn snot zit.

dagblad

Foto’s van de facebook-pagina van Red Bull Kop over Kop en uit het Dagblad van het Noorden en het scorebord is gefotografeerd door iedereen zijn brother-from-another-mother Berend Smilda. Twitterfilmpje is gemaakt door Pieter Smith.

Red Bull

Aarzelend pak ik een blikje uit de doos: Red Bull. In de afgelopen tien jaar heb ik dat één keer gedronken. Dat was nog maar een paar week geleden, op meer dan 2500 meter hoogte, bovenop de Timmelsjoch. Een killer climb, 30 kilometer lang gaat de weg alleen maar omhoog, met af en toe heel erg stoere stijgingspercentages. Ik beklom die Timmelsjoch na 170 kilometer racen, over allerlei andere bergen met allemaal stoere stijgingen, tussen allemaal heel erg goede fietsers,. Het was warm. En soms koud. En ik had dorst, heel erge dorst. En het was echt lekker, die Red Bull.

Ik aarzel. Neem ik weer een blikje Red Bull? Het is zaterdagochtend, 7 uur, ik ben net uit bed. We zitten hier 9 meter boven NAP. Het regent (waarom ook niet). Ik moet zo met de trein naar Utrecht om een congres te bezoeken (omdat het kan). Gister heb ik besloten wel naar dat congres te gaan, daar een praatje te geven en daarna direct weer huiswaarts te gaan.

En dat is waarom het blikje Red Bull me zo aantrekkelijk lijkt. Want als je moe bent, dan is suiker heel erg lekker. En ik ben moe (had ik dat al gezegd?). Want er is van alles en nog wat. En morgen staat er weer een ploegentijdrit op het programma. Kop over kop. Gesponsord door Red Bull. En dankzij een inschrijving voor die ploegentijdrit staat hier nu een doosje waarin acht blikjes zitten, met suiker en cafeïne.

Kop over kop? 100 kilometer fietsen, voor Wieger, vice-kampioen van Nederland. Misschien wel een van de grootste talenten uit het noorden. Na 20 kilometer haakt Bert aan. Meervoudig districtskampioen-Noord, in verschillende klassen. Als tijdrijders precies zijn, dan kan Bert laten zien dat het preciezer kan. Nog weer iets van 20 kilometer later haak ik aan. Na nog zo’n stuk komt Pieter erbij. En Pieter, die kennen jullie al. De laatste die aanhaakt is Tim. Oud roeier. Ooit medailles gewonnen op wereldbekers enzo.

Ik heb zin in Red Bull. Maar toch neem ik het niet en besluit tot morgen te wachten, dan heb ik het echt nodig. En trouwens, ik heb net mijn tanden gepoetst.

Het NCK – Krentenbaard

30e. Is dat goed? Ja. Hadden we meer gewild? Ja. Zat er meer in? Ja. Maar zijn we tevreden? Ja!!

Als we over de finish komen is direct duidelijk: dit was wat deze ploeg kon, onder deze omstandigheden. We zijn met vier man gefinisht. Dat betekent dat we te hard reden voor twee renners, maar ook dat zij ons niet hebben opgehouden. De eerste verloren we te snel (dat kan beter), de tweede na 40 kilometer (dat kan bijna niet beter). Daarnaast zijn de vier die finishen helemaal kapot (dat is goed).

Het regent, de hele middag al, de polder is zeiknat. In het wiel krijg je constant een sproei in je gezicht. En ‘in het wiel’ is de essentie van een ploegentijdrit. Veel regenwater, een flinke dosis modder, met een klein beetje zand en lekker wat poep. Dat zijn de ingrediënten voor een goede sproei in de polder. De meeste renners worden er wat voorzichtig van, gaan wat langzamer door de bochten. Ik ben dan op mijn best. Kwade tongen beweren dat ik betere bochten rijd in de regen, dan met droog weer.

De één na laatste kopbeurt gaat dwars door Dronten en die doe ik. Drie rotondes en een klinkerstrook. De rotondes neem ik hard. Op de klinkers dendert Pieter over me heen, met Johan en Jan Willem in zijn wiel. Ik moet vol sprinten om aan te haken. Dat doe ik één meter voor de finish. Perfect. We rollen uit. Jan Willem kijkt over zijn schouder en roept iets tegen me. Ik heb geen idee wat. Alles doet zeer. Mijn gezicht is bedekt met een laag sproei, kwijl, zweet en snot. Ik heb een krentenbaard. De andere drie trouwens ook.

Langzaam komen we tot stilstand en dan beginnen we de schreeuwen. Elkaar te slaan. Te lachen. Het is totale ontlading. We hebben het gehaald. We hebben niet ingehouden, maar konden doorfietsen. Het voelt als een topprestatie.

Op dit moment zijn alle ploegen gestart en druppelen er langzaam ploegen over de finish. Het plein in Dronten voelt verlaten. Overal staan koerswagens, busjes, campers en grote party tenten. Daartussen schuifelt winkelend publiek. Niet wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.

Uiteindelijk blijkt onze tijd goed voor de 30e plek. We zitten maar op 7 seconden van Avanti op plek 25 (waar we vorig jaar eindigden) – zij reden precies 0.09 km/u harder dan wij. Dit is ongeveer onze plaats in wielrennend Nederland. Vorig jaar waren we de eerste ploeg zonder elite renners. Mogelijk is dat nu weer zo.

Als goed ingespeelde ploeg hebben we baat bij droog weer en harde wind. Het was regen en zachte wind. We raakten te snel iemand kwijt. Op het laatste rechte stuk reden we te veel over een slecht stuk wegdek. We hebben een paar slechte aflossingen gehad. En nog meer redenen-van-7-seconden. Maar eigenlijk maakt het allemaal niet uit. We zijn gefinisht. En we zijn tevreden. Bij de MacDonald’s na afloop maken we plannen voor volgend jaar. Kijken we nu al naar uit.

Het NCK

Geen nachtje meer slapen.

Zes man op een startpodium in Dronten. We zijn hier veel te serieus mee bezig geweest. Maanden samen trainen. Duizenden appberichten hebben we hieraan gewijd. We fietsen op heel dure spullen, hebben dit jaar in totaal meer dan 40.000 kilometer getraind. En daar staan we dan. Zes man sterk.

Ik doe de start. Dat komt omdat ik de kleinste spiermassa heb. Ik ga er dus niet als een malloot vandoor. Of, eigenlijk doe ik dat wel, maar als ik er als een malloot vandoor ga, is dat voor de rest prima bij te houden. Ik ben goed in lange stukken op hoge snelheid, dat komt wel in een later gedeelte.

Sytze neemt over. Die laat altijd net wat te veel ruimte, maar is zo sterk dat hij dit kan repareren. Als Sytze zou starten, dan vielen er gaten, voor we bij de eerste bocht zouden zijn. Sytze is beter in tempo verhogen.

In zijn wiel zit Harm. Harm houdt vast, doet een kopbeurt en gaat geen gekke dingen doen. Harm is de fiets geworden zekerheid.

Gelukkig zit Jan Willem daar weer achter. Triatleet van oorsprong. Eigenlijk zijn triatleten geen renners. Daarom is het fijn dat Jan Willem zich zo goed gedraagt. Nog fijner is dat hij het tempo aan kan. En zich laat sturen. Hij pikt de tips op die hij krijgt.

Als Pieter overneemt, is de eerste kilometer al voorbij, nog maar 51 te gaan dus. Pieter kan hard. Heel hard. Maar dat doet hij nog niet, hij doet rustig en ook hij weet dat het pas later echt hard hoeft.

De nestor is Johan. Die doet altijd kalm. Versnelt maar langzaam en laat nooit het tempo vallen. Je voelt dat hij op ervaring fietst. Zolang hij zijn snelheid vasthoudt, fietst hij op kop.

En dan ben ik weer. Gas. Het snot komt al uit mijn neus. Slijm loopt over mijn wang. Zweet drupt van mijn kin. Maar ik lach, want dit is precies waar we voor gewerkt hebben.

Het NCK – The Ritual

Nog een nachtje slapen.

We weten nu dat Wilco Kelderman, Jos van Emden, Dylan van Baarle, maar ook Anna van der Breggen, Martijn Keizer en Bert-Jan Lindeman aan de start gaan verschijnen. We nemen het dus op tegen wereld- en olympisch kampioenen, etappe winnaars in grote rondes, tijdrijders van absolute wereldklasse. Seems fair.

Ook onze licenties liggen klaar om mee te nemen naar de inschrijving: twee basislidmaatschappen van de KNWU (=geen licentie), drie sportklasse en één amateur licentie. De koersbak is afgetankt. Vanavond ga ik een laatste rondje fietsen, korte blokjes, waarbij ik mijn benen nog één keer test. Daarna maak ik mijn fiets wedstrijdklaar, steek een hoog voorwiel en een dicht achterwiel. Ik maak alles grondig schoon. De ketting smeer ik met precies genoeg vet. Ik controleer of de fiets goed schakelt, check mijn kilometerteller. Monteer een andere bidonhouder, voor een aerobidon. Kijk of de plaatjes op mijn schoenen nog goed zijn.

Dan maak ik een kratje klaar met spullen die ik meeneem. Extra snelpak, extra sokken, extra supersnelle overschoenen en één paar aero-sokken. Ik zoek mijn speciale doosje met veiligheidsspelden (just in case). Zet bidons klaar, pak wat gelletjes, gooi een koekje in het krat. Ik zet mijn Tacx, mijn gewone racefiets en een fietspomp klaar. Voor de zekerheid doe ik er wat extra binnenbandjes in. Daarna ga ik naar de badkamer.

Gewapend met scheermes en -schuim ga ik voor de laatste keer dit jaar mijn benen scheren. De allereerste keer dat een renner zijn benen scheert is een rite de passage. Een moment waarop je toetreedt tot een vorm van volwassenheid. Het is onwennig. De eerste dag zijn je benen glad, maar tegelijk prikt een lange broek op je onbeschermde huid. Bijna nooit voel je je méér renner – zonder op een fiets te zitten – dan met net geschoren benen. (Misschien wanneer je een laken van een grote schaafwond trekt, op de ochtend na een rottige valpartij. Maar laat ik het daar niet over hebben).

Benen scheren is rustgevend, maar je moet ook opletten, want anders snijd je je. Om goed te scheren wil je natte benen hebben, waardoor je ondertussen heel erg koud wordt. Bibberen is weer geen goed idee, je staat immers met een vlijmscherp voorwerp over je achillespezen te wrijven. Het is fijn wanneer je dan een beetje een vaste hand hebt.

Na het scheren is alles klaar. Nu rest nog één ding. Een eindeloze nacht. De werkweek was hels en om het extra zwaar te maken ben ik steeds bezig geweest met het schrijven van onzinnige blogjes. Het effect daarvan is dat ik me wel erg bewust ben van wat komen gaat. Nog één nachtje. Ik hoop dat ik de slaap nog kan vatten en wat kan dromen over Wilco, Dylan, Jos en ook een beetje over Anna.

P.s. je hoeft natuurlijk niet je benen te scheren met zeep en een mes. Je zou je bijvoorbeeld ook kunnen laten harsen.

 

Het NCK – De Laatste Training

Nog twee nachtjes slapen.

In het wiel bij Jan Willem zie ik keihard af. Ondertussen vertelt Sytze lachend een verhaal, handjes op het stuur. Het zweet kruipt in mijn nek. Fuck, dit is echt klote zwaar. Even later kijkt Kleine Spruit (nickname voor Remco) lachend over zijn schouder. Hij versnelt zonder bij te schakelen. Ik moet lossen, maar dat wil ik niet.

– “Hee Spruit”, schreeuw ik, “hoe hard gaan we eigenlijk?”
– “31”

Rewind? <<
Het ritje begon al slecht. Terwijl het donker werd, vertelde Ronald over zijn dag in de Suikerfabriek. Hij werkt daar en iedereen die wel eens in september in Groningen is geweest weet: de Suikerfabriek staat nu aan. En als we eerlijk zijn weten we allemaal ook: de fabriek draait niet zonder Ronald. Dag en nacht is hij in touw, alleen bij hoge uitzondering onderbreekt hij dat om ons de laatste training te geven. Ronald liet een gaatje vallen en fietste dat dicht. Ik zat toen ongeveer op omslagpunt.

Het is ook niet raar dat ik af moet zien. Ik heb helemaal niet warm gefietst. Ik fiets nu naast Sytze en concentreer me op het verhaal dat hij vertelt. Zijn zoontje mag hem al een week niet meer zoenen, geen handjes geven en niet meer over Sytze zijn kleren kwijlen. Sytze is bang dat ie anders ziek wordt. Het lijkt mij een terechte angst. Mijn verbazing duurt niet lang genoeg om de pijn in mijn benen te verdrijven.

Jan Willem begint weer tegen me te praten. Ook al over werk. Ik kan vooral wat grimlachen en knikken. Terwijl mijn benen kletsnat worden van het zweet en ik wanhopig nog een keer bijschakel. Dit is helemaal niet NCK waardig natuurlijk, gelost worden bij 31 km/u.

Ok, ok, ik had een zware dag op mijn werk. Misschien moet ik wat verder terugspoelen?

Rewind! << <<
Het is nog licht als de training begint om 18.30 uur. Maar ik ben daar niet bij. Pas om 19.15 uur ben ik klaar met werken. Ook al ben ik te laat, ik wil niet alles missen. Zonder aarzelen ren ik naar mijn fiets zodra ik de kans heb en scheur naar de training toe. Daar zie ik nog net dat de ploeg de laatste oefening afrondt. Daarna bespreken we wat laatste puntjes en gaan we weer naar huis. Ik zit direct achterin de waaier, in mijn pak, op mijn stadsfiets.

We zijn gewone jongens, met gewone banen en gewone levens, maar in een bijzondere ploeg. Hoe bijzonder? Dat gaan we zaterdag wel zien. Nog twee nachtjes slapen.

In het wiel bij Jan Willem

 

Het NCK – De Helden

Nog 3 nachtjes slapen.

Een NCK ploeg is meer dan zes renners, een aantal reserves en een trainer. De groep die meetraint is veel groter, de mensen die voor de fun (en niks dan FUN) meehelpen is nog omvangrijker.

Laten we beginnen bij het eind, zoals het hoort. Zaterdag staan vier mensen klaar om onze ploeg te helpen. Ze beheren het basiskamp en de koersbak. Ze staan klaar met een handdoekje, een blikje cola en een bidonnetje, bij start en finish. Als er onderweg iets gebeurt springt er iemand uit de koersbak (dat is de auto, met logo’s, fietsendragers, toeter, alles) met een reservewiel, of zelfs een reservefiets. Twee man beheren het basiskamp, waar de ploeg warm rijdt en verzamelt na afloop. Om wonden te likken, of juist de prestatie te vieren. Het basiskamp bestaat uit twee (2! dat is 1+1) party-tenten. Daar staan onze tacxen, tasjes en allerlei andere meuk. Jeroen, Patrick, Gerlof en Louis. Stuk voor stuk zelf verdienstelijk renners, staan voor ons klaar. ❤ ❤ ❤

DSC_0559

Deze mannen hebben dat niet altijd gedaan, dit is het eerste jaar dat ze deze taak op zich nemen. Tot vorig jaar was de onvolprezen André Wilting eindchef NCK. De nauwgezetheid van André bleek toen ik het tijdschema erbij pakte. Om er zeker van te zijn dat iedereen op juist tijd op de juiste plek is, heeft hij een excel-bestandje gemaakt waarin allerlei acties zijn opgenomen (‘Nummers halen’, ‘Benen invetten’, ‘Naar de start’, ‘Finish’, ‘Naar de McDonalds’). In bestandje van vorig jaar veranderde ik de starttijd in die van dit jaar. Daarop versprongen alle andere tijden, automatisch. Dat, lieve lezer, is André ten voeten uit. ❤ ❤ ❤

Gedurende het seizoen trainen we als club (en dat is dus superbijzonder). Ook afgelopen jaar waren de tijdrittrainingen goed bezocht. Niet iedereen heeft de ploeg gehaald, niet iedereen had ook die ambitie. We testen elkaar. Iedere training doen we ons best om te laten zien wie het stoerst is. Daarnaast organiseert Guido (nick name ‘evident’) een interne club-competitie, met allemaal leuke tijdritjes. ‘Een rechte weg, met alleen een keerpunt’ – ‘Proloog’ – ‘Rondje’ – ‘Twee Rondjes’ – ‘Koppeltijdrit’. Vooral die koppeltijdrit was fantastisch. 30 renners en rensters die in tweetallen twee rondjes reden en bij de finish stond Annemiek van Vleuten de tijd op te nemen. Echt waar. Ik was compleet star struck. Kon geen normaal woord meer uitbrengen. Maar onze Guido verblikte noch verbloosde. Hij mompelde de tijden naar Annemiek, die ze ook nog goed opschreef! ❤ ❤ ❤ En natuurlijk ook voor Guido ❤ ❤ ❤

We hebben volgers, aandacht en een team van vrijwilligers om ons heen. Een koersbak, een trainer, twee party-tenten en het materiaal. En als het ingewikkeld wordt neemt de beste renster ter wereld onze tijden op. Als we nu geen 25e kunnen worden, dan is dat een dikke vette streep door de rekening. Aan de begeleiding heeft het niet gelegen.

DSC_0450

Het NCK – Het materiaal

Nog 4 nachtjes slapen.

Sanne, de vrouw van (met ring en alles) Pieter (no.4, zie gister), lacht hem keihard uit. In haar hand houdt ze twee kleine stukjes stof, die bij nadere inspectie vingers hebben. Het zijn aero-handschoenen. Dezelfde als Tom Dumoulin gebruikt. “Vergeet je deze niet!”, lacht ze. Ik sta er bij, kijk van Pieter naar Sanne en van Sanne naar Pieter. Dan schiet ik ook in de lach. Zorg dat je nooit met een tijdrijder trouwt, denk ik nog.

Het is ergens midden in de zomer en we staan in de schuur van Pieter. “Man cave” is een betere omschrijving. Alles heeft een plekje. Er staat een Tacx, er ligt een kleedje, er hangen drie fietsen aan de muur, in rechte stellingen staan kistjes met onderdelen, waarin schroefjes naar grootte gerangschikt zijn. Pieter heeft net nieuwe wielen gekocht en daarvoor ben ik hier. Om ze te bekijken. Een tijdrijder is namelijk niks zonder materiaal. En materiaal is helemaal niks, zonder een tijdrijder.

Voor de kenners: onze hele ploeg (incl. reserves) telt vijf Cervélo’s (2xP5, 1xP4, 1xP3, 1xp1), 2 Stevens en een Felt. Stuk voor stuk top tijdritfietsen. Op alle types Cervélo zijn mensen wereldkampioen geworden, waaronder Cancellara, of zijn Touretappes of grote ploegentijdritten op gewonnen. En belangrijker: op deze specifieke P4 is een lokale held ooit echt WERELDKAMPIOEN geworden bij de amateurs. Daarnaast hebben we iemand op een P1. Voor de niet kenners: dat is een beetje de Porsche 911 onder de tijdritfietsen.

We rijden allemaal met een specifieke tijdrithelm. Die zorgen er voor dat je niet alleen heel gestroomlijnd op de fiets zit, maar ook dat je geen fuck meer hoort. Er zit een punt aan, die verschillen iets per helm, maar passen precies bij de renner in kwestie. We hebben ook allemaal een dicht achterwiel. Dat is sneller. En als je stevige zijwind hebt (what are the odds, we rijden door de polder), maken die je fiets wiebelig. Ideaal, want je rijdt maar 50 p/u, zo dicht mogelijk op je ploegmaat, die je nergens voor kan waarschuwen, want je hoort geen fuck.

Maar dat dichte achterwiel heeft minder effect dan onze hoge voorwielen. Grotendeels van carbon, sieren ze onze strakke tijdritfietsen. Die wielen hebben velgen tot meer dan 6 cm hoog (meet maar even af bij je stadsfiets, dan weet je waar ik het over heb). Als je nog geen last hebt van je dichte achterwiel, dan heb je dat zeker van je hoge voorwiel, in de polder, met 5 bft.

Hebben andere ploegen dit ook? Ja, hoewel het bij ons wel heel extreem is. Daarnaast zitten wij stuk voor stuk in een super aero-tijdritpak. En sommige van ons hebben dus aero-handschoenen. Dragen we allemaal aero-overschoenen. En rijdt Harm (no.2, zie gister) met aero-sokken. Die komen tot halverwege zijn kuiten en er zitten ribbels in die de wind wegvoeren.

Pas afgelopen zondag zag ik ze voor het eerst. En ik WIL ZE OOK! HOGE AERO-SOKKEN! Dat kan nooit duur zijn en inderdaad dat zijn ze niet. 30 euro, voor GRATIS snelheid! Dat is idioot goedkoop. Ik heb ze besteld en kan alleen maar hopen dat ze hier voor zaterdag zijn!

B-iiCb3CYAEmp4B

Het NCK – Pijntjes

Nog 5 nachtjes

Ik word wakker. Alweer. Ik kijk op m’n wekker. Maandag 25 september, 6 uur. Nog één werkweek. Ik hoest. What the fuck!? Dat kan niet. Nu mijn benen zo goed zijn. Ik voel ook iets in mijn kuit. Kramp? En ik denk dat er een pukkel op mijn kont zit. En wat steekt het in mijn onderrug. Dan draai ik me om. Ik weet dat ik goed moet zijn, zaterdag. Dat is nog 5 nachtjes slapen. En in de tussentijd kunnen al mijn nep-kwaaltjes nog wel weg gaan. Hoop ik.

In de loop van de ochtend trekt het meeste weg. En ga in gedachten nog een keer de ploeg langs. Zes renners mogen we opstellen en we hebben twee reserves op papier.

1. Sytze. Er is niemand die zo mooi op de fiets zit als Sytze. Daarnaast heeft Sytze enorm mooie benen. En een fantastische borst, die het beste tot uiting komt als Sytze geen bovenkleding draagt. Bij iedere warming-up en cooling-down draagt Sytze geen bovenkleding. Need I say more?

2. Harm. Als je ooit iets kwijt bent bel Harm dan even. Die is het namelijk ook al een keer kwijt geweest, maar heeft het ook teruggevonden. De meest getalenteerde renner van onze ploeg. Hij kan alles goed. Harm smeert zijn kettingen door ze in een frituurpannetje met een eigen gebrouwen vet te gooien. Heerlijk is dat. Echte tijdrijder, enorme mierenneuker dus.

3. Jan Willem. Eigenlijk is Jan Willem een betere wetenschapper dan een tijdrijder. Deze week is hij voor de Klokhuis wetenschapsprijs genomineerd. Als hij die wint, gaan ze een Klokhuis-aflevering over zijn wetenschappelijk onderzoek maken. Ik bedoel, what the fuck? Dit alles betekent niet dat hij niet snoeihard kan fietsen.

4. Pieter. Vermogensgeil en anaeroob. Misschien wel de sterkste ploegentijdritrenner van de ploeg. Kan altijd een minuut heel hoge vermogens leveren. Ook als hij dat niet meer kan. Meestal doet dat zeer, bij iedereen in zijn wiel. We verwachten veel van Pieter, dit jaar.

5. Daarachter zit Johan. Johan is in ongeveer iedere discipline die hij beoefent Nederlands kampioen geweest. Schaatsen, tijdrijden, veldrijden, speed golf, discuswerpen, horden duiken. Nee, echt. Ok, niet echt, behalve die wielerdisciplines en het schaatsen. Dit jaar is Johan sterker dan ik hem ooit heb meegemaakt.

6. Ik.

Ik heb hoofdpijn. En ik snotter. Misschien komen de reserves toch nog in beeld.

7. Remco, hardfietser en hardschaatser, student bewegingswetenschappen, die zich altijd ten dienste stelt van de ploeg. Vorig jaar viel hij op het laatste moment in en reed mee tot de finish.

8. Berry, ook een hardfietser, maar met ervaring. Berry heeft alles mee, wat mee moet zitten bij een tijdrijder. Een natuurlijke aanleg voor spiermassa. De wil om snoeihard af te zien. Een hele hoge snelheid. En hij is vaardig. Helaas is ie ook vader, houdt ie van yoghurt-wine-gums en wil ie liever koersen dan tijdrijden en heeft ie te weinig tijd. Anders had ie zeker bij de ploeg gezeten.

Wacht, ik moet niezen. Wèèèh, ben ik dan echt verkouden!?

Het NCK – Verkennen

Nog 6 nachtjes slapen.

Aan het NCK doen ongeveer 1.000 sporters mee, over vier categorieën: Jeugd, Bedrijventeams (ahum), Dames en Heren. Dronten staat op die bewuste zaterdag helemaal op z’n kop. De stad zit half dicht, maar er is ook veel publiek, pers en iedereen die iets voorstelt in wielrennend Nederland. Er staan profs aan de start (Niki Terpstra, ooit van gehoord?) en mensen zonder licentie (Jan Willem Bolderdijk – wie kent hem niet!). Het is dus niet zomaar een wedstrijdje, dit vereist gedegen voorbereiding.

Vandaag staat de parcoursverkenning op het programma. Als ploeg hebben we om 9.00 uur in Dronten afgesproken. Dat is anderhalf uur van Groningen, dus om half 8 zit de hele ploeg ergens in de auto. HALF 8! Op zondag. Omdat we ongeveer 25e willen worden in een ploegentijdrit. Ik haal Remco op, dat is een kwartiertje extra. Dus ik zit om 7.15 uur in de auto. 7.15 UUR, op zondag! Remco is reserve, de kans is groot dat hij niet gaat starten. Toch staat hij om 7.25 uur klaar.

De trip naar Dronten is zomaar voorbij. We babbelen wat over koers, over het NCK van vorig jaar, over het afgelopen seizoen. Iedereen is op tijd in Dronten. We halen onze spullen uit onze auto’s en zetten onze fietsen in elkaar. Vanaf de weg kijken kerkgangers ons aan. Niet wielrenners. De leegheid van die levens schokt ons.¹ Ondertussen beginnen kerkklokken van rivaliserende gemeenten een wedstrijdje hard luiden.

DSC_0561

De verkenning gaat goed. We overtreden een paar regels (rijden over een 80 km weg), we houden ons ook een paar keer aan de regels (rijden over een fietspad) en we merken dat het fantastisch draait. Dat komt omdat we hierop trainen. We kennen elkaar. Zeven mannen, die weten wie hard kan fietsen, wie goed meedraait, wie goed kan sturen. Al dat soort dingen.

Na afloop drinken we koffie in een bruin café/hotel in het centrum van Dronten (kan ik echt iedereen aanraden). Daar gebeurt iets bijzonders. De man die voelde dat hij vandaag iets minder goed was dan Remco (eerste reserve) stelt zelf zijn plek in de ploeg ter discussie. En vervolgens voeren we er als volwassen mensen een gesprek over. Ik heb kippenvel van de teamgeest. We handelen allemaal in belang van de ploeg. We besluiten dat we vast houden aan ons plan, we blijven bij het team dat we afgesproken hebben.

In de auto terug praat ik wat door met Remco. Hij blijft beschikbaar, wil dolgraag bij de 1.000 deelnemers horen en nog liever bij de ploeg. Nog zes nachtjes slapen, er kan nog van alles gebeuren.

DSC_0573.JPG

Read More

Het NCK – De ploegentijdrit

Nog 7 dagen

Het NCK is een ploegentijdrit. Hoe je die moet rijden hebben we afgelopen weekend kunnen zien, toen Sunweb dat even twee keer voordeed. We zijn nog geen week verder, maar nu weten we al dat die ploegentijdrit van het WK gaat verdwijnen. Dat is heel jammer, maar gelukkig hebben wij het NCK nog.

In een ploegentijdrit probeer je als ploeg zo hard mogelijk te rijden. Dat is harder, veel harder dan de beste renner in z’n (of d’r) eentje kan. Je doet volle-bak-gas-korte kopbeurtjes, daarna laat je je afzakken langs de ploeg en probeer je aan te pikken. En dat is het probleem.

Als je van kop af komt verlies je een beetje snelheid, maar als je aanpikt moet je die weer terug gewonnen hebben. Dat doet zeer. Niet een klein beetje, maar heel erg zeer. Als het niet zeer doet? Dan fietst je ploeg niet hard genoeg. Doet het te zeer? Dan moet je overgeven. Maar niet aanpikken is eigenlijk geen optie. Het lijkt steeds alsof de voorste renner jou eraf wil fietsen. En naarmate de ploegentijdrit vordert voelt dat emotioneel ook zo.

Het NCK is dus dik 50km lang harder fietsen dan je kan, met vijf heel erg goede renners, die allemaal proberen om jou kapot te krijgen. Als het echt pijn gaat doen, dan zie je altijd iemand even aanzetten, waardoor je weet dat het nog steeds niet echt pijn deed.

Soms knapt het bij iemand, die dan gaat schelden, vloeken, tieren. Maar dat is hoofdzakelijk in training. Tijdens de wedstrijd is daar geen tijd voor, want dan lig je eraf. Tel daarbij op dat je met je kop in een aerohelm zit, je een veel te strak snelpak aan hebt, overschoenen die alle bloedtoevoer naar je voeten afsnijden en er geen tijd is om te drinken, terwijl je wel een enorm droge bek hebt. Juist.

Omdat alles zo kut is, is het ook een discipline met kameraadschap. Je hebt namelijk samen wat meegemaakt. Als je samen een ploegentijdrit hebt gereden, ben je vrienden voor het leven. Of in ieder geval die middag. Laat ik het zo zeggen, na een ploegentijdrit krijg je meestal geen ruzie over de rekening bij de McDonalds. Direct na afloop zijn er bokshandjes, tikjes op je kont (er is meestal wel iemand die zijn kans schoon ziet), lachen, een beetje huilen, dat allemaal. Als je ooit een ploegentijdrit wint, dan ga je dat niet snel vergeten. Dat is een teameffort. Daarnaast heb je nog een paar dagen spierpijn, helpt ook het te onthouden.

Misschien is het daarom wel zo jammer dat de UCI het nog maar jonge WK (vanaf 2012) afschaft. En misschien is het daarom wel zo gaaf dat we in Nederland het NCK hebben. Daar mogen we allemaal helemaal naar de kloten gaan!  

Het NCK – De trainer

Nog 8 dagen.

Sinds 1911 wordt het Nederlandse wegseizoen afgesloten met het NCK, het Nederlands Clubkampioenschap. Een ploegentijdrit van rond de 50 km, waar vrijwel iedere Nederlandse wielerclub aan deelneemt. Het NCK vindt plaats in het laatste weekend van september. Naast een afsluiting, is het ook een hoogtepunt van het wegseizoen. In de komende dagen ga ik op deze blog vertellen hoe wij – een amateurclub uit Groningen – ons hierop voorbereiden.

Voor mijn club is het NCK heel belangrijk, hoewel we absoluut geen kans maken om te winnen. Ik ben lid van Cycle Sport Groningen. Een club zonder eliterenners, maar met veel mensen die van fietsen houden, cyclo-renners, sportklasse-renners, amateurs en een grote groep tijdrijders. Die tijdrijders zijn absolute beesten op de fiets, maniakaal met hun materiaal bezig en allemaal getikt.

We trainen iedere week op woensdagavond, meestal op een vast parcours. Het afgelopen seizoen stonden de trainingen onder leiding van Ronald Heringa. Ronald is een fenomeen. Nog maar een paar jaar geleden was hij een van de allerbeste tijdrijders van Nederland. Inmiddels is hij de 50 gepasseerd en doet hij (een ietsje pietsje) rustiger aan. Dat geeft hem meer tijd om trainingen voor te bereiden.

Iedere training werkt hij uit op een kleine sticker. Die plakken de tijdrijders op hun fiets, zodat ze zich maximaal kunnen concenteren op de eigenlijke opdracht van trainer Ronald: helemaal naar de kloten gaan. En daar worden onze renners goed van. Zo goed dat een populaire satirische wielerblog verzuchtte dat het Districtskampioenschap eigenlijk ons ‘open clubkampioenschap’ was. Terecht. Alle mannencategorieën werden door een renner van onze club gewonnen. Bij de elite won een oud-lid.

Vanaf de zomer ligt de focus tijdens de trainingen op het naderende NCK. Inmiddels nadert dat heel rap. Nog maar een paar nachtjes slapen en dan staan we aan de start. Ik lig er nu al een beetje wakker van, maar daarover morgen meer.  Kan je niet tot morgen wachten, dan kan je hier lezen hoe het ons vorig jaar is vergaan.

The Tsjerminator

Het is een beetje koud, het heeft een klein beetje geregend en het waait een ontzettend ietsiepietsie beetje. Ik sta ongeveer op de derde rij bij de start van het eerste koersje van het jaar. Vlak buiten Annen, op een smal modderig weggetje, staan we met zo’n zestig mannen en vrouwen te wachten tot we mogen starten (THANKS Annen, Meteoor Assen en Breeland!). Zoals altijd heb ik babbels. En zoals altijd neem ik me voor om me niet op te blazen. Bijblijven, verstoppen en in de tweede helft van de koers sla ik mijn slag. That’s the plan.

img_20170206_213131

De laatste renner links, in het rood zwart en wit. Dat ben ik dus. Je ziet het, de tegenstand was formidabel.

Ik ben dus ontzettend slecht in plannen. Eén minuut later sleur ik op kop van het peloton, ik ga op de pedalen staan, werp een blik over mijn schouder en kijk in het olijke gezicht van Berend, of Berry zoals hij genoemd wordt door vage kennissen. Een echte liefhebber. Het maakt Berend niet uit. Hij zwijgt wanneer je denkt dat ie iets gaat zeggen en hij zegt iets wanneer eigenlijk iedereen stil is. Berend neemt over en parkeert zijn karretje recht voor die van mij. Ik zit daar lekker uit de wind.

Schuin achter hem fietst Tsjerk. Dat klinkt als een aardige Friese jongeman en ziet eruit als een bodybuilder. Mijn hele lichaamsgewicht is ongeveer gelijk aan de massa van een van zijn benen. Als Tsjerk op zijn pedalen gaat staan, ben je bang dat zijn frame het begeeft. Tsjerk is in de omgang heel aardig, eigenlijk zoals je verwacht van die Friese jonge gozer. Maar zo ziet ie er dus niet uit.

Zowel Berry als Tsjerk horen bij mijn club. We zijn met z’n drieën het peloton aan het geselen. Dat laat de rest niet gebeuren, dus er komen meer renners bij. Gek genoeg verlies ik nooit mijn plekje. Vroeger (dat is alles tot en mijn mijn laatste koers) moest ik wel eens mijn plekje afstaan. Liet ik me uit een wiel dwingen. Moest ik volle bak een gaatje dicht rijden. Vandaag is het niks van dat alles. Vandaag is het allemaal redelijk makkelijk. Dus ik spring weg. Ik fiets op kop. Ik ben steeds bij de eerste tien deelnemers van de koers te vinden.

Op een gegeven moment fietst er een groepje groepje van vier weg. Berend zit ergens achter me. Tsjerk in dat groepje. Ik lach wat. Kijk een beetje rond. En denk dat de andere drie jongens in dat kopgroepje Tsjerk aan het vervloeken zijn. Want wie wil er nou met een soort Terminator naar de streep rijden!? Niemand denk ik. Die legt je erop. Die rost je eraf. Die vreet zijn kompanen met huid en haar op. Deze eerste koers is voor ons! Tsjerk die gaat hem pakken!

arnold-schwarzenegger-terminator-2

The Tsjerminator

Toch niet. Want Berend en ik draaien vriendelijk mee. Rijden niemand in de wielen en er zijn wat oude krijgers die precies op tijd het peloton in gang weten te krijgen. Op een halve ronde worden de Tsjerminator en zijn makkers gepakt. En verlies ik opeens toch mijn plekje bij de eerste tien. Daarna blijkt dat ik net niet genoeg snelheid heb om weer voorin te komen. 12e. Tsjerk wordt wonderbaarlijk 4e. Knap gedaan.

Een klein beetje regen, kou en wind, is heel veel niks. Dat wordt altijd sprinten. Het was een makkie. Maar het was vooral de eerste koers van het seizoen. En dat is gewoon gaaf.

Boedapest

Ik:
Heb je dat filmpje van die Australische gravel-race gezien? Ongelofelijk cool zeg.

Billy Bronco:
Gaaf filmpje inderdaad. Ik heb nu alweer jeuk om ergens heen te fietsen.
Moskou of zo. Als er maar lange gravelwegen inzitten.

Ik:
Hmm, ik heb nog heel veel vakantie, maar geen zin
om over gravelwegen te gaan met m’n Cervélo. Budapest,
eind oktober, in vier dagen ofzo? Zeker weten dat we kutweer hebben.
Billy Bronco:
Als we zeker weten dat we kutweer hebben, hoef ik ook niet zo nodig over gravel. Boedapest klinkt goed! Zou iets van 1300 km zijn, denk ik. Ik weet niet hoe flexibel jij bent, maar we kunnen natuurlijk ook op het weer letten bij het prikken van een datum. Eerder dan eind oktober is geen optie voor jou?
Ik:
Eerder lukt eigenlijk niet en we zouden dan in ieder geval een globe range moeten vastleggen. Boedapest is leuk omdat je dan redelijk
eenvoudig met de trein weer terug kan.
Billy Bronco:
Heb wel weer eens zin om naar Tsjechië en Slowakije te gaan, en het ligt op de route naar Boedapest, dus dat komt goed uit. Zal daar erg mooi zijn in de herfst. Wel een hoop heuvels.

Globe range? Wat is dat?

Ik:
Dat is een typefout. Moet zijn global range.
Ik ben weer management-taal aan het praten.
Lijkt me de hoogste tijd om dit te gaan doen.
img_20161025_194810

Ongelijke strijd

Op het startpodium staat Jens Mouris, hij mag starten voor zijn club (HSC de Bataaf), het team in gang trekken. Mouris is geen pannenkoek, maar twee keer vice-wereldkampioen op de ploegentijdrit (TTT). In Australische dienst bij Orica won hij meerdere WorldTour TTTs. Ons team staat te wachten tot we het startpodium mogen beklimmen. Dat wij na de club van Mouris starten, betekent dat De Bataaf vorig jaar achter ons is geëindigd. Dat is het NCK ten voeten uit. Trouwens, over pannenkoeken gesproken. 

World Champinships - Mens TTT

Hiertussen fietst Jens Mouris, op weg naar een 2e plek op een WK. Vandaag gaat ie ons proberen voor te blijven.

Het Nederlandse ClubKampioenschap (NCK) is een ploegentijdrit die het einde van het wegseizoen markeert. Vrijwel alle clubs van Nederland vaardigen een ploeg af naar deze ongelijke strijd. Sinds 1911 wordt het NCK georganiseerd, dit jaar (2016) zijn we toe aan de 99e editie. Vooral wereldoorlogen staan in de weg van de doorgang van het NCK. Dat laat direct zien hoe belangrijk deze wedstrijd is. Alleen als alles echt klote is, blijven de Nederlandse hardfietsers thuis. Tot dusver zijn er 34 edities in Dronten georganiseerd, in de afgelopen jaren waren ook Lauwersoog en Hoogezand gastheer van het NCK.

Dit jaar ga ik mijn eerste NCK rijden. We starten met zes man. Ons selectieproces was lang, fair, soms een beetje moeilijk en ook wat moeizaam. Vorige week reden we met een bijna volledige ploeg een generale repetitie, maar plotseling kwam er wat ruis op de lijn. 0. Pieter, net vader geworden, moest om begrijpelijke redenen afhaken. Een dag voor de wedstrijd zag ik dat ik een oproep van 1. Harm (hardrijder pur sang) had gemist en vreesde ik het ergste. Hij was grieperig geweest, maar ging wel starten. Pff, gelukkig. 2. Anko moest in de afgelopen twee ploegentijdritten vroeg lossen. Toch was iedereen er zeker van dat hij een flinke bijdrage zou kunnen leveren, maar alleen als hij er zelf in geloofde.

img-20161001-wa0009

Warming up. Remco heeft zn pannenkoek inmiddels binnen (maar niet voor lang).

3. Remco viel als eerste reserve in. Anderhalf uur voor de start zie ik hem staan met een pannenkoek in zijn hand. ‘Ben je zenuwachtig, Remco, je krijgt je pannenkoek niet weg?’ ‘Al sinds je me woensdag app’te dat ik moest invallen,’ bromt hij. Ik lach hem uit, maar geloof dat hij vandaag goede benen heeft. Met 4. Sytze en 5. Johan is niet zoveel aan de hand. Zij moeten de ploeg bij elkaar houden. Hard fietsen en goede kopbeurten draaien. 6. Zelf ben ik goed, maar zenuwachtig. Remco at tenminste nog een pannenkoek, ik krijg alleen nog maar een banaan en een gelletje weg.

Het is drie minuten voor onze start. We kijken met z’n zessen naar Jens Mouris. Prof voor een Australisch team. Remco ontspant wat en zegt: ‘ik heb niet eens een licentie’. En eigenlijk vinden we dat allemaal tof. Wat we ook gaan doen, we staan hier als een team. ‘Goed rijden, niet hard rijden.’ ‘Houd je aan de opdrachten.’ ‘Niet snokken.’ ‘Compact blijven.’

img-20161001-wa0010

Een dik uur later zijn we terug. Na 10 km heeft Remco overgegeven, op de dichte TT helm van Anko. Het houdt beide jongens niet tegen. Ze finishen als 3e en 4e en zetten de tijd van onze ploeg. Het is de eerste keer dit jaar dat Anko uitrijdt. We hebben allemaal onze rol vervuld. Johan gaf, als oudste renner van de ploeg, de snelheid aan. Sytze bepaalde het ritme van de kopbeurten. Harm reed een goed eerste deel, maar kwam zichzelf op het verkeerde moment tegen. En ik sleurde het liefste wat op kop, hing in de wind, hapte me door wolken muggen heen. Het was genieten van het team.

nck

Remco en Anko, vanaf nu alias ‘de Kotsboys’

We worden 25e. Dat klinkt alsof we klop hebben gehad, maar dat is helemaal niet zo. We houden eliteploegen achter ons. De 52 kilometer raffelen we af met meer dan 48 kilometer per uur. We zitten maar twee minuten van de club-Jens-Mouris af en vier minuten van de winnaar. Die 25e plek, daar zijn we supertrots op. Het voelt als winst, bij een ongelijke strijd. Volgend jaar de 100e editie van dit fenomenale evenement. Ben benieuwd wat we dan kunnen presteren.

De Sinatra As

Het is zondag, eind september en de zon schijnt. Mijn teller geeft 31 km/u aan en dat is fijn. Ik heb vandaag wind mee. Mijn vriendin gaat op bezoek bij haar familie in Zwolle en ik ben meegegaan. Ik heb mijn fiets achterin de auto, koersbroek aan, twee bidons gevuld, een reservebandje en een banaan weggestoken. De schoonfamilie hoef ik niet te zien, ik mag iets eerder uitstappen en dan op de fiets terug naar Groningen. Vier Beaufort, zuidenwind. Vandaag hoef ik niet hard en wil ik niet hard. Ik fiets met mijn handen op het stuur. I did it my way.

Zaterdag reed ik in een ploegje. Zes mannen, op zes tijdritfietsen, met zes dichte achterwielen en zes aero helmen. Snotterend, schreeuwend, stoempend en soms slingerend gooiden we de beuk erin. In Friesland ligt een gloednieuwe weg, dwars door de provincie: de Centrale As. Zoals wij Friezen zeggen: de Sintrale As. Of zoals ik ook al ergens zag: de Sinatra As. Die As dus, die behoorlijk-recht-toe-recht-aan, maar met af en toe een slinger, dwars door de provincie voert.1119377_1280x720

Tenminste, dat neem ik aan. Helemaal zeker weet ik dat niet, want hoewel ik er dus overheen mocht fietsen, heb ik weinig van de omgeving gezien. Ik weet wel dat er fantastisch asfalt ligt. Dat de As af en toe een hele ruime bocht maakt en dat de wind dan op een andere kant kan komen te staan. Ik weet ook dat er een paar dozijn tunnels, viaducten en aquaducten in verwerkt zijn. En dat die kleine bultjes en afdalinkjes smerig pijn doen in je benen. En ik weet dat de witte strepen, die zo’n leuk zoemend geluid maken als je er met een auto overheen rijdt, voelen als kleine klinkerstrookjes op een fiets. Ook dat is niet heel prettig als je zo hard probeert te rijden als je kan.

rotary-sport-op-de-as-066

Over die splinternieuwe Sinatra As vonden we als ploeg een prachtig ritme. Met bijna 48 kilometer per uur veroverden we een achtste plek. Wat vooral veel vertrouwen gaf was het lange tweede stuk, waarin we de wind vol tegen hadden. Daar rolden we als een mooi zoemend nummer van Ol’ Blue Eyes. Iedereen kende zijn plek en wist welke waarde hij had voor de ploeg. We raapten maar liefst drie ploegen op, die allemaal duidelijk meer moeite hadden met de wind. Op de viaducten stond publiek te klappen, er waren onderweg honderd strandvlaggen opgesteld, die allemaal strak stonden te wapperen.

centrale-as.jpg

We waren met zes man begonnen en kwamen met vier over de finish. Precies genoeg. Johan, de oude rot, knalde korte harde beurten. Sytze, de bouwmarktmanager, reed stylistisch mooi en heel erg steady. Anko, zocht naar zijn vorm. Pieter, net een paar dagen geleden vader geworden, trakteerde op beschuit en op sterke blokken. Remco wist zich in te houden en steeg uiteindelijk boven zichzelf uit. In de heuse volgauto zaten André, die ons met raad en daad terzijde stond, en Margriet, die ons zonder al te veel raad terzijde stond. En door de boxen van de koersbak zong Frank Sinatra zachtjes met ons mee.

img-20160924-wa0010

Remco, ik, Sytze, Johan, Anko en André – met Pieter achter de camera en Margriet onzichtbaar op de achtergrond

Dat was op de As. Nu doe ik één lange kopbeurt van drie-en-een-half-uur. Ik ga straks chocolade eten, een colaatje drinken en foute witte bolletjes kanen. Ik luister naar de vogels en ik kijk naar de bomen die langzaam herfstkleuren krijgen. Allemaal dingen die je tijdens een ploegentijdrit niet mag doen. Nog een weekje, dan treden we als ploeg nog één keer aan. Voor het NCK, dan gaat het er echt om. Wij hopen op een rit met flink veel tegenwind, kunnen we weer lekker draaien. Als variatie op Sinatra: Let it roll, let it roll, let it roll.

P.s. Mocht je je afvragen hoe Bemmel (zie hieronder) is afgelopen: ik ga nog een blog schrijven over tijdritten die niet gaan zoals je wil.

Bemmel, Bemmel, Bemmel, Bemmel

Al maanden ben ik zwanger van Bemmel. Vanaf het moment dat bekend werd dat dit jaar hèt kampioenschap daar gereden zou worden: Bemmel. Ergens in het voorjaar. Voor die tijd dacht ik nog een beetje kinderlijk over Bemmel. Ik had ik misschien wel een keer van Bemmel gehoord. Vaag. Ik zou zeggen dat het ergens in Utrecht ligt, of misschien wel op de grens van Noord- en Zuid-Holland. Als iemand met veel vuur verdedigen zou dat het een echte typische plaats in Brabant is: ook goed.img-20160825-wa0006

Bemmel hier, Bemmel daar, Foei hoe suffend staat gij daar
Bemmel blijkt niets van dat alles. Het ligt aan de Waal. En daar ligt het vooral wat te liggen. Er loopt een kronkelige dijk langs. Er passeert een menigte vrachtschepen. Veel nieuwbouw, rond een oud kasteel-achtig huis. Rustige mensen, supermarkten, nog meer supermarkten, een grote snackbar en een enorme parkeerplaats. Vooral die parkeerplaats komt goed van pas: daar kan je goed tacxen.

Bemmel, bammel, bommel, bimmel, bummel
In Bemmel vindt dit jaar het NK-tijdrijden Masters plaats. Dat is niet zomaar een kampioenschap en je bent niet zomaar een Master. Nou ja, misschien toch wel. Bij de heren telt Nederland liefst vier categoriën Masters: 30+, 40+, 50+ en 60+. Daarna ben je gewoon te oud om te fietsen, denk ik. Bij de vrouwen is dat al eerder het geval: die hebben maar één categorie: 30+. Overigens heeft dat de opkomst geen goed gedaan, bij de vrouwen staan maar 8 deelnemers aan het vertrek. Bij de heren meer dan 100.

 

Bem, bem, bem, bem, BEMMEL
Sinds het voorjaar kan ik zomaar met mijn gedachten in Bemmel zijn. Samen met mijn trainster, Esther, heb ik een plannetje gemaakt: die wedstrijd wel, die wedstrijd niet. Langzaam opbouwen, op tijd rust nemen, een paar keer mezelf helemaal naar de kloten rijden en dan nog een keer alles geven. Ik heb het plannetje bijna perfect kunnen uitvoeren. Een drukke werkperiode dreigde even roet in het eten te gooien, maar ik heb doorgezet. Bijna huilend stond ik op een gegeven moment over mijn tijdritstuur gebogen, maar ik dacht alleen maar Bemmel. In een koers moest ik plots lossen, maar voor straf heb ik mezelf daarna helemaal leeg kunnen bemmelen.

Bemmeltje, bammeltje, tovenaar
Ik heb één keer eerder een NK tijdrijden gereden. Dat was het NK voor Vrije Renners op Texel. Alleen renners die niet vast zitten mogen daaraan meedoen, geloof ik. Volgens kenner, renner en wielerorakel Berry mag je Texel niet vergelijken met een echt NK. Op dat nep NK werd ik dus vierde, achter koekebakkers Johan Tijssen en Bert Smilda. Vierde is zuur. Maar stiekem was ik trots.

dsc_4945

(Als een zware oude torenklok klinkt het in mijn hoofd:)
BEMMEL, BEMMEL, BEMMEL, BEMMEL
De afgelopen weken heb ik hier echt naar toe geleefd, samen met PieTTer en RonaldH. Verkennen in Bemmel op zondag, samen trainen woensdag, samen over materiaal keuvelen, samen vloeken in Ronald zijn wiel (dit met Pieter dan). We hebben een Bemmel-app-groep, met Bemmel-grappen en een Bemmel hashtag (#bemmel). Ronald slaapt al weken slecht. Eerst van de pijn van het trainen, toen van de pijn van het niet trainen en nu van de spanning. Pieter heeft iedere trap van de afgelopen weken geanalyseerd en weet precies waar zijn grenzen liggen. En hij heeft nieuwe lagers! En nieuwe banden!

En ik? Ik heb mijn benen geschoren. Mijn fiets gepoetst. En ik zing stilletjes allerlei refreinen waarvan de tekst alleen maar Bemmel is.

Morgenmiddag, 14.23 uur, dan bemmel ik erop los.

img-20160916-wa0012

Onderweg naar Bemmel: het gros van mijn fietsspullen in één Mitsubishi Colt gepropt